Kerk te zijn op aarde

Vrijheid is altijd aangevochten vrijheid. Het is nooit vanzelfsprekend om christen te kunnen en te mogen zijn. We zien dat de eeuwen door. En nog steeds zijn er landen waar christenen vervolgd worden om hun geloof. Waar ze niet in vrijheid mogen samenkomen.

Onze situatie vandaag is heel anders. Ook al voelen we soms weerstand en tegenstand. Een partij als D’66 heeft wetten ingevoerd of onderwerpen breder ingekaderd en op de agenda gezet waar wij onze vraagtekens bij hebben (resp. het homohuwelijk, euthanasie, Godslastering). Allemaal voorbeelden van zaken die de christelijke vrijheid ter discussie stellen en/of de waarden en normen van een eens christelijke natie doen vervagen.

Daarom alleen al is het belangrijk van te denken over de vraag hoe we het beetje christelijke vrijheid dat we nog mogen genieten, in kunnen vullen. Hoe rijk zijn we en hoe rijk kunnen we zijn? Als we de mogelijkheden maar willen zien. Filadelfia (Op.3:8) had weliswaar kleine kracht. Maar die kleine kracht hoefde hen niet door de hoeven te doen zakken. Er stond een deur open. Misschien niet wijd open, maar toch: open. Een openheid die perspectief bood. Het was een nimmer sluitende deur. Een deur die altijd open zou blijven.

In Op.3:20 zien we een gesloten deur. Maar ook daar zijn grote kansen. De deur hoeft niet gesloten te blijven, maar kan en mag opengaan. Avondmaal rond het Woord en de Naam blijkt mogelijk.

Vandaag openen we het Woord en proberen we het te bewaren. We willen ook Jezus’ naam niet verloochenen. We willen niet verloochenen en zeggen dat we Hem niet kennen. Integendeel, we willen bevestigen. Claimen: onze Heer en proclameren: Jezus is Heer. We willen onze belevenis belijden. Belijdenis van een belevenis. De eerste keer deden we dat in het openbaar toen we ons lieten dopen. We belijden iedere week in de gemeente Wie Jezus is. Wie Hij voor ons is en wat Hij voor ons heeft gedaan.

Dat laatste is ‘makkelijk’. We weten als gelovigen wat we aan elkaar hebben en we mogen ons zelf zijn: christen. Als het goed is tenminste. Maar christenzijn in de wereld is een ander verhaal. Daar moeten we onze woorden wegen en kunnen we niet altijd alles zeggen. We zijn ‘vissen in vreemd water’. En in vreemd water is het oppassen geblazen, omdat we opgeslokt kunnen worden. We kunnen ons aanpassen, assimileren en integreren op een verkeerde manier.

De oproep van de apostel Paulus in Rom.12:1 ‘Word deze wereld niet gelijkvormig’ en ‘we zijn niet meer van deze wereld’, is op zijn plaats. Dat betekent niet dat we wereldschuw of wereldvreemd moeten worden. We mogen ‘aliëns’ zijn (‘burgers en bijwoners’), maar we staan wel nuchter in deze wereld met beide benen op de grond.

We hebben vrijmoedigheid nodig om stand te houden totdat Jezus komt. Pas dan geven we het werk uit handen. Niet eerder. Er is werk aan de winkel, broeders en zusters. We moeten uit de schaduw in het licht komen. Tevoorschijn komen en kleur bekennen. Paulus vroeg om gebed opdat hij vrijmoedigheid zou ontvangen om zijn mond te openen (Ef.6:19,20). Om dat wat verborgen was, bekend te maken. Hij hoorde te spreken over zijn Godservaring en Godsontmoeting. Dat was niet meer dan normaal. Betamelijk. Onze redelijke eredienst (Rom.12:1).

We weten dat Hij die in ons is, meer is dan Hij die in de wereld is. We staan voortdurend aan de zijde van de Overwinnaar van Golgotha. Het is het vermelden waard dat de Here Jezus zijn discipelen niet zonder bijstand, escorte en beveiliging het zendingsveld opstuurt. De grootste belofte aller tijden luidt: ‘En zie, ik ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding der eeuw’ (Matth.28). Zonder die belofte en de Waarmaker ervan, was hun missie gedoemd te mislukken. Dan hadden de discipelen beter thuis kunnen blijven. Maar met die belofte, mogen en kunnen ze niet thuis blijven. Het zendingsbevel is met deze belofte: dwingend, bevelend. Met de Heilige Geest in je en die goede Meester naast je, kun je niet anders dan gaan met vrijmoedigheid.

Ik koppel terug. Broeders en zusters, we hebben een geopende deur. Onze Heiland is de Waarborg. Hij is de Deur en de Deurwachter. Als Hij een deur opent, sluit niemand die. Sluit Hij een deur, dan opent niemand die. Hij is de Weg. De Weg tot de Vader, maar ook de Weg tot de wereld. Zonder Hem geen evangelisatie, geen openingen en kansen, geen deuren en wegen. Onze Meester gaat ons voor. Hij draagt het vaandel van Golgotha. Deze goede Meester vraagt ons niet te gaan, waar Hij zelf niet eerst is gegaan. Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat we in Zijn voetsporen navolgen.

We zingen: ‘Ik zie een poort wijd openstaan…..’ Zien we die poort en zien we die Meester? Willen we die goede Meester volgen en de wereld ingaan als verlosten? Mét Jezus hebben we werkelijk wat te vertellen. ‘Werp die vrijmoedigheid niet weg, welke heeft een rijke vergelding des loons’ (Hebr.10:35).

Dat God deze overdenking mag zegenen!