Rijkdom en rechtvaardigheid (Jak.5:1-11)

Ik hoorde een keer iemand zeggen: ‘de bijbel is een boerenboek’. Het heeft mij aan het nadenken gezet. Mijn opa was boer. Zelf wilde ik altijd boer worden. Het is echter maar weinigen gegeven om boer of boerin te worden. Als man moet je een vader hebben die een redelijk groot bedrijf heeft, ter overname. Of je moet een rijke boerendochter trouwen. Of toevallig iemand tegenkomen in een programma als ‘boer zoekt vrouw’ die in jou niet alleen een boer maar ook nog eens een echtgenoot ziet. Dat moet je dan wel gegeven zijn.

In de bijbel hebben we direct te maken met een ‘hovenier’ en een ‘hof van vruchten’ (Gen.3), met een akkerbouwer en een schaapherder (Gen.4). Een groot deel van de bijbelse geschiedenis vertelt over de ervaringen van trekkende volksstammen en volken die willen ‘aarden’ en dat doen door bijvoorbeeld een stad te stichten (Gen.4,10 en 11). Herders en akkerbouwers staan daarbij regelmatig tegenover elkaar omdat beiden verschillende belangen hebben (Gen.4). In het verhaal over de landbouwer Kaïn en de schaapherder Abel pakt het, vanuit Gods gezichtspunt, uit in het voordeel van Abel. Vanuit menselijk oogpunt bekeken, trekt Abel aan het kortste eind en vindt de dood.

Reizende pelgrims krijgen de voorkeur boven ‘vastgeroeste’ burgers met bezittingen. De herders hebben niet of nauwelijks eigendommen omdat ze voortdurend onderweg zijn. Ze kunnen niet vergaren en oppotten. De akkerbouwers ‘vergaren schatten op aarde’, samen met de bouwers van steden (vgl.Matth.6:19). Het bouwen van een hoge toren wordt gezien als een samenzwering tegenover God die in beginsel niet wil dat de mens alleen is, maar ook zeker niet dat de mens in het intermenselijk verkeer op gaat en in hoogmoed zijn boekje te buiten gaat (Gen.2,11).

Dit bouwen op rijkdom en vertrouwen op eigen kracht en inzicht, zien we de hele bijbel door terug. Ik laat dat nu echter even voor wat het is en richt me nu speciaal op de inzichten die de Jakobusbrief geeft op rijkdom (én rijken) in verhouding tot armoede (én rechtvaardigen).

Jakobus bespreekt de rijkdom van de rijken wanneer hij zich speciaal tot hen richt (5:1). In het hoofdstuk daarvoor spreekt Jakobus over de broeders en zusters en hun verhouding tot de wet en de Wetgever (4:1-12). Daarna gaat het over de mensen in het algemeen en niet meer specifiek om de broeders en zusters, hoewel zij als christenen in de verstrooiing ook gewaarschuwd worden (4:13 e.v.)

In hoofdstuk vijf is de kritiek buitengewoon fel en doelgericht: zij betreft niet de gelovigen, maar de rijken. Sterker: de rijken staan tegenover de rechtvaardigen. Deze twee groepen mensen zijn niet onder één noemer te brengen, laat staan te verenigen. Elders zien we dat terug. Het weinige dat een rechtvaardige heeft, staat in schril contrast met de rijkdom van veel goddelozen (Ps.37:16). En degene die vertrouwt op rijkdom lijkt op een blad dat van de boom valt, terwijl een rechtvaardige tot bloei komt (Spr.11:28).

Jakobus gebruikt de rechtstreekse waarschuwing ‘Welaan nu jullie…..’ zowel bij de ‘planner zonder God’ (4:13) als bij de ‘rijken’ (5:1). Dit doet denken aan het strenge ‘Wee u…..’ dat de Here Jezus gebruikt wanneer Hij op ernstige wijze om aandacht vraagt (Matth.11:21, 23:13-16, Luk.6:24; vgl. ook Amos 6:1). De rijken denken dat ze ‘binnen zijn’ en hun zaakjes goed op orde hebben. Dit gaat gepaard met een onbezonnen en naïeve zorgeloosheid. In de trant van: ‘wie doet me wat?!’

Maar schijn bedriegt. De rijken worden opgeroepen om te huilen over de rampen die over hen zullen komen. Het is erger met ze gesteld en ze zijn verder heen dan ze denken: hun rijkdom, inclusief hun kleding, is reeds in verre staat van ontbinding (vers 2). Wat ze niet voor mogelijk zullen houden, gebeurt ongemerkt: de edelmetalen goud en zilver verroesten. Hier klinkt het oordeel van God mee. Er is namelijk iets tegennatuurlijks aan de hand. Goud en zilver verroesten niet in het ondermaanse. Maar zélfs goud en zilver kunnen Gods gericht niet doorstaan. Die roestige edelmetalen getuigen daarom tegen de rijken. Proefondervindelijk blijkt dat hun huis op drijfzand is gebouwd, namelijk op materie die de toets van Gods kritiek niet kan doorstaan.

Daarnaast is er nog een andere getuige, namelijk de klacht van de arbeiders die hun loon mislopen doordat de rijken hun geld oppotten. Deze maaiers dienen hun heren, maar worden niet fatsoenlijk uitbetaald. Het zijn de rechtelozen en bezitslozen. Zij worden niet gehoord. Maar de Heer der hemelse machten hoort hun gebed wél. De rijken zwemmen in het geld ten koste van de armen. Zo hebben ze de rechtvaardige veroordeeld en vermoord. En ze hebben zich niet verzet. Hun klaaglied en gebed was hun verzet.

Daarna spreekt Jakobus de broeders en zusters opnieuw aan (5:7). Hij bemoedigt hen om geduld te betrachten, omdat de Rechter voor de deur staat. De Heer komt. Hij gebruikt daarbij het voorbeeld van de boer die geduldig wacht (Du. ‘Ausdauer’) tot het moment van de oogst gekomen is. Daar is volharding en uithoudingsvermogen voor nodig. Jakobus gebruikt daarom het beeld van een ‘taaie’ of ‘stugge’ boer die zich niet door tegenslagen uit veld laat slaan. Het is een man die weet wat er komt en die hoe dan ook het doel voor ogen houdt: het binnenhalen van een rijke oogst. Daarbij gaat het dus niet om een schatkamer met geld waar het de rijken (landheren) om te doen is, maar om de geestelijke vergelding van het loon (vgl.Joh.4:36). Het gaat om ‘loon bij God’ (vgl.Ps.58:12). Om rechtspraak en vrijspraak voor het aangezicht van de hemelse Rechter (5:9). Het gaat om rehabilitatie en eerherstel.

Opvallend is dat Jakobus het er in hamert: de Heer komt (5:7), de Heer komt spoedig (5:8) én de Rechter staat voor de deur (5:9). Dát is de hoop voor de armen en rechtvaardigen. De rechtvaardigen kunnen de neiging hebben om over elkaar te klagen. En dat is niet vreemd. De rijken horen hen namelijk niet klagen. Zij hebben de oren gesloten voor de armoede van hun naasten. Wat dan nog rest is de mogelijkheid om over elkaar te klagen. Jakobus zegt dat dit niet de manier is om met onderdrukking om te gaan. Integendeel: zo zouden ze zelf eveneens een oordeel over zich afroepen (5:9). Net als de rijken. Ze moeten bedenken dat de ‘Rechter over rijken’ ook zomaar de ‘Rechter over armen die klagen’ zou kunnen zijn. Dan heb je als arme in een bepaalde zin ook ‘je loon reeds’ (vgl.Matth.6:5,16).

Vervolgens wijst Jakobus op het uithoudingsvermogen van de profeten in het algemeen en de standvastigheid van Job in het bijzonder (5:10,11). Die leren een christen de ‘kunst van het volharden’. Het gaat hier niet zomaar om ‘je tijd uit te zitten’ en ‘met de armen over elkaar’ geduld te tonen. In de zin van: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’. Het beeld dat dit, overigens mooie, lied schetst, komen we in de bijbel niet tegen. Jakobus noemt de profeten omdat zij een voorbeeld zijn van uithoudingsvermogen te midden van zware omstandigheden en hard werken voor de Heer dat gepaard gaat met diep lijden. Dat zij spraken namens de Heer werd hen lang niet altijd in dank afgenomen. Jakobus spreekt hen zalig. Hij wijst er speciaal op dat ook Jobs standvastigheid werd beloond. En dat op grond van Gods liefde en genade (5:11).

Ik vat samen. Op grond van wat Jakobus schrijft over rijkdom en armoede kunnen we concluderen dat de rijken niet in de gunst van God staan, terwijl de armen dat als rechtvaardigen wel staan. Het feit dat hen onrecht wordt aangedaan, wordt via het gebed opgemerkt door God. God zal rechtspreken en de armen in het gelijk stellen. Daarbij is het van belang dat de armen in de tussentijd niet over elkaar gaan klagen bij God of bij elkaar. Dan manoeuvreren ze zich in een soortgelijke positie als die van de rijken en krijgen ze ook met het oordeel van God te maken. Door een houding in te nemen die lijkt op die van Job en andere profeten houden ze het vol tot het einde én worden ze voor hun uithoudingsvermogen (Du. ‘Ausdauer’) beloond. Daarom lijkt bij Jakobus, ondanks de nadruk op Gods liefde en genade, ook nog iets door te klinken van: ‘Wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden’ (Jak.1:12, Marc.13:13, Matth.24:13).

‘Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben’ (Jak.1:12).