Hannah Arendt over slavernij

‘Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewil­lig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heer­lijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe…verwachtende…de verlossing onzes lichaams’ (Rom.8:20-23).

Het boek van Hannah Arendt heet ‘Vita activa’. In dit boek beschrijft zij het actieve leven, dat gekenmerkt wordt door arbeid, werk en handel, van mensen onder de zon. Zij be­handelt de eeuwen waarin mensen leefden van het werk hunner handen en de arbeid van hun lichaam, vanaf de oudheid (Grieken en Romei­nen) tot en met de moderne tijd (moderne, in zichzelf schou­wende mensen die niet vervreemd zijn van zichzelf, maar van hun wereld). Altijd weer leefden de mensen onder de noodzake­lijke condities van het bestaan, waardoor zij genoodzaakt werden te arbeiden om in leven te blijven. De Grieken zagen het noodzakelijke verzamelen van voedsel als een ‘must’ die als zeer pijnlijk werd ervaren, daar het gebondenheid en onvrijheid met zich meebracht. Om boven de gerichtheid op noodzakelijke behoefte uit te komen, om de immanente structu­ren van het mindere te transcenderen, kwam men tot de gedachte van slavernij. Arbeiden en werken was ‘a priori’ minderwaar­dig, waardoor het nodig werd geacht slaven ‘aan te stellen’. Slaven waren nodig, omdat er slavenar­beid[1] (en landarbeid,­ a.w.,347)­­ was, en zij slechts arbeiders waren(p.87, 88, 366). Zo kon de Griekse mens zich bevrij­den van het noodlot der natuur, name­lijk in de bevredi­ging der behoefte te voorzien, en deel gaan uitmaken van het publieke leven onder gelijken, om uit te blinken, in tegen­stelling tot het private (a.w., 336,337,338). Slaven, die de manifestatie van ongelijkheid en onvrijheid waren, werden dan ook beslist niet als publieke verschijning toegelaten.De slavernij was in de oudheid dan ook geen middel voor een goedkope arbeids­kracht of tot exploita­tie.

Op het publieke terrein kon men namelijk pas echt ‘men­sen’, volwaar­dig burger zijn. Het mense­lijk leven begon daar waar het ‘huisdierlijk leven’ (a.w.347) ophield, waar het leven van ‘animal laborans’ eindigde en dus de ijdel­heid ‘opgeheven’ werd. Ijdelheid is hier, evenals in de tekst van Paulus, negatief bedoeld. Het duidt op de sterfelijkheid en verganke­lijkheid van ons lichamelijke leven onder de zon, waarvan de ervaring in ons dagelijks leven tussen geboorte en dood ge­tuigt. We zijn gebonden en moeten, om te overleven, arbeiden. En ook deze arbeid gaat noodzakelijk met pijn en moeite ge­paard, die ook naar voren komen in onze bijbelverta­ling­en[2]­­­­­.

Daarom was het geen gek idee huisslaven, meestal overwonnen vijanden (a.w.236), met geweld te onder­werpen[3]­­­­, zodat deze met pijn gepaard gaande noodzaak­­­­ opgehe­ven werd. Arbeid was een noodza­kelijk kwaad, een middel ter berei­king van een hoger doel (a.w.,358), dat kon worden ver­holpen door het onderwerpen van een bepaalde groep ‘mensen’ aan slavernij. Deze prijs was hoog, daar geweld dat gebruikt werd door een groep mensen om zich te bevrijden van de kluis­ters waarmee wij allen aan dit zwoegen en deze nood, en het nut dat het ople­vert (a.w.328, 336), zijn gebonden, is mensen­werk. De slaaf (‘doulos’) werd de plaats­vervan­ger[4] van zijn huis­meester (‘dominus’) (a.w.11­9). Hij was de zintui­gen, het sprekende werktuig (‘instrumen­tum voca­le’) van zijn heer, die daardoor een levende getuige voor zijn meester was van het leven dat slavernij is (p.120,1­21). De huismeester kon alleen vrij zijn op voorwaarde dat hij beseft dat hij onder­worpen is (p.121). Vrijheid is vrijheid, juist omdat er gebon­denheid (het ‘doel­loze’) tegenover staat.

Deze slaven hadden het op zich niet slecht, niet weinigen hadden zelfs eigen bezit, maar dat neemt niet weg dat zij als ongelijken leefden in onvrijheid[5], in het verborgene als schim­men, zonder ook maar een spoor van het bestaan achter te laten (p.63, p.338). Zij leefden in een duister bestaan en waren in de dubbele zin van het woord niet ‘gezien’. Hoewel zij een goede behandeling kregen, kwam die behandeling niet voort uit het motief der gerechtigheid, maar eerder uit res­pect voor de publieke burgerlijke huismeesters zelf[6]. Deze meesters waren namelijk onderworpen­ aan de jurisductie van wetten, ter be­scherming van het pu­blieke domein (p.335). Kortom, met een correcte behandeling van de slaaf, is de polis en daarmee het burgerlijke leven gediend[7]. Met hun leven dienden zij hun buik, waardoor bij het verla­ten van het aardse onder­grondse, met hun lichaam ook hun naam was verdwe­nen. En daar onsterfe­lijkheid werd be­schouwd als een hoogste goed, dat alleen op het publie­ke domein veilig te stellen was, was de slaaf ge­doemd tot sterfe­lijkheid, met hooguit een grafschrift als bekroning en dun ‘spoor’ (p.63,33­9). Zonder slaven was de mens uit de oudheid dus niet in staat eigen onsterfelijkheid te vestigen, want zonder de verzadiging van de noodzakelijke behoeften, was er geen leven en geen goed leven mogelijk. De slaaf bracht de huismeester een hoogste goed, namelijk de mogelijkheid te participeren in het publieke vlak van de polis. Hier kon men uniek zijn en uitblinken te midden van gelijken. Hoewel dit een contra dictio interminis lijkt, moeten we niet vergeten dat men echt mens werd door als burger in  het openbaar gezien te worden. Door het aspect van het zien, kon de mens echt goed mens-zijn.

Volgens Aristoteles miste de slaaf twee vermogens, namelijk:

1.-om het voor en het tegen te overwegen van een zaak, en aan de hand daarvan een beslissing te nemen.

2.-om vooruit te zien, te anticiperen, en aan de hand daarvan een keuze te maken (p.348, voor ambachtslieden: p.328).

En deze twee aspecten waren voor Aristoteles van doorslagge­vende betekenis, voor zover het de ‘animal rationalis’ be­treft. Bij de beslissing die genomen werd, was de rationele overweging de maatstaf voor het al dan niet rationeel zijn van de keuze. Het goede midden, dat ligt tussen twee extremen, moest gekozen worden. Wat in de ene situatie een te veel was, kon in een andere situatie een te kort zijn. De keuze die gemaakt werd, moest geen blinde zijn. Toch zijn slaven bij Aristoteles deugdzaam binnen een bepaald lokaal gebied, omdat zij bijdragen aan goederen die goed in zichzelf zijn, aan goederen die bijdragen aan het hoogste goed, namelijk de ‘theoria’ (=het schouwen) als hoogste handeling. De instrumen­tele goederen die een slaaf levert, zorgen voor ‘leisure’ van de huismeester[8] .

Ook Plato kon weinig goeds (moraal) zien in het leven van de slaven, daar zij het lichaam dienden, en voor menselijke consump­tie zorgden. Juist omdat zij de arbeid van hun handen volbrachten en zich bekommerden om de noodzaak, als een aspect van het licha­melijk bestaan tot bevrediging van de behoeften (a.w.32­9). Het lichaam en alles wat daarmee uit te staan had, kon immers niets ‘blij­vends’ voort­brengen? Plato zag alles wat gedaan werd ten behoeve van onze schijnwereld, ten bate van de kerker die lichaam heet, als niet echt ter zake doende. Het juiste gedrag van een goed mens was de aardse werkelijkheid te trans­cenderen en de eeuwige ideeen boven het hemelgewelf te aanschouwen. Euripides noemde de slaven zelfs slecht, omdat zij alles zagen vanuit het oogpunt van de maag (p.347).

Het leven, zowel wat Plato als Aristoteles betreft, eiste dat er slaven waren en slavernij was daarom niet in strijd met de na­tuur. Voor Aristoteles is goed en moreel leven dan ook leven in overeenstemming met de natuur, het succesvol verrich­ten van de taak die specifiek is voor de soort (N.E., boek 10). Toch zie ik in het begrip ‘natuurlijk’ een spanning die mijns inziens niet weg te vegen is. Enerzijds vereist de natuur, het natuurlijke, de aanwezigheid van mensen die hun natuurlijke behoeften vervullen. Het is een taak (ergon) die specifiek is voor de soort. Slavernij wordt gezien als natuur­lijk, het hoort erbij, het is noodzaak, c.q. natuur, omdat het behoort tot de ‘conditione humaine’. De slaaf­ vervult deze in en in menselijke taak of functie (ergon). Anderzijds wordt het goede leven, overeenkomstig de natuur van de soort, van de mens gezien in de ‘theoria’, het niet-religieus schouwen.  De slaaf wordt in deze gedachtengang als dier beschouwd, daar hij niet goed menst, maar leeft in overeenstemming met het natuur­lijk lot. Bovenstaand probleem kunnen we mijns inziens ook terugvoeren naar de vraag: ‘Wat was er eerder, de kip of het ei?’ Was de arbeid er inderdaad eerder, waardoor slaven aange­wezen werden en gedegeneerd werden tot dieren, of waren de slaven er eerder en leefden ze overeenkomstig hun natuur, en ‘schiepen’ ze met behulp van hun huismeester de arbeid?

Een kritische vraag aan de oudheid: ‘Was de natuur van de slaaf werkelijk zijn natuur, of was het de ‘natuur’, eigenlijk cultuur die de Griekse polis-burger hem oplegde?’[9]

De ontwikkeling van de slavernij lijkt zich te hebben uitge­strekt tot het ganse rond en breed der aarde, tenminste wan­neer we ervan uitgaan dat wij allen deel uitmaken van en onderworpen zijn aan het natuurlijke levensproces dat zicht­baar wordt in onze arbeid, arbeid van het lichaam. Alle mensen zijn slaven geworden sinds de late Romeinse oudheid de vrij­heid vernietigde, toen Caligula en Trajanus zich ‘dominus’ lieten noemen, een titel die daarvoor alleen het hoofd van de huis­houding voerde (a.w.,360).

 

1 Niet te verwarren met onze moderne, vrije arbeid. De tegen­woordige arbeider (degene die produceert om te consu­me­ren en processen (leven(s)) gaande houdt(p.119,99,107,115,11­6)) wordt name­lijk wel toegelaten tot het publieke domein en heeft wel volledig burgerrecht en kiesrecht (a.w., p.215).

2 Hannah Arendt wijst terecht op de connotaties die mee­klinkt met ons woord ‘arbeid’. Arbeid werd in het Oude Testa­ment tot smart gemaakt, tot ‘dienstbaarheid aan’, de ‘dienst­baarheid’ onderworpen (a.w.354, Rom.8:21). De equiva­lenten van ‘arbei­den’ hebben ondubbelzinnig de bijbetekenis van pijnlijk en moeizaam. Het Duitse ‘Arbeit’ werd oorspronke­lijk slechts gebruikt voor de door slaven verrichte landar­beid…(a.w.345). In het Engels luidt Mat.11:28: ‘Come unto Me all ye that labour (St.vert.: vermoeid) and are heavy laiden (St.vert.: belast).

3 ‘De oudere Griekse woorden voor slaven, ‘douloi’ en ‘dmoes’, hebben nog de betekenis van verslagen vijand’, a.w. 359. Slavernij, geweld en foltering werden goedgepraat door te wijzen naar slaven, die toch reeds onderworpen waren aan de noodzaak (a.w.129). Het zijn de noodzaken die geen mens kan weerstaan. Vandaar de ‘niet-menselijke’, zichtbaar dierlijke, natuur van de slaaf (a.w.88, 118, 119). 

[4]De term ‘plaatsvervanging’ komt in de huidige tijd nog voor in de militaire wereld, waar de ene soldaat de dienst van de andere soldaat op zich kan nemen. De christelijke traditie kent ook het woord ‘plaatsvervanging’ in verband met de leer der verzoening. Schriftplaatsen als: ‘Hij heeft zijn leven geven tot losprijs voor (lees: i.p.v.) velen’ (Mark.10­:13) kunnen in de gedachte van het dienstknecht/slaaf (doulos) zijn, goed begrepen worden. Volgens H.Arendt hadden de slaven en lakeien (A.Smith) immers geen echt goed menselijk leven, maar hun huismeesters des te meer (p.88, 90, 119, 351).

[5]Daarom is het mijns inziens niet vreemd dat de traditie ‘vrijheid’ beschuldigt van de slavernij van de nood­zaak, zelfs als dit gelezen wordt als soevereiniteit (a.w., 232). Inder­daad, door vrijheid, door uniek-enig zijn, werd slavernij goedgepraat. Praat H.Arendt slavernij zo in zekere zin niet goed?

[6]Het probleem van Beachamp, nl. dat ‘enforced servi­tude would not appear justifiable once the destructive impli­cations of enslavement for social and legal institutions are taken into account’, schijnt voor de Grieken geen probleem te zijn, juist omdat slavernij een constructief element is voor het publieke leven. Integendeel, het leek wel gerechtvaardigd, juist in de stelling dat slavernij de ongunst van het noodlot (natuur) is. Een ‘right to be free’ had de slaaf niet. Zie Beachamp, ‘Phil­osophical Ethics’, p.364,334.

[7]Beachamp schrijft: ‘Even in the slave countries it is theore­tically admitted that the rights of a slave, such as they are, ought to be as sacred as those of the master’, p.135 in ‘Phil­osophical Ethics’, Georgetown 1991.

[8]Zie: Aristoteles, Ethica Nicomachea, Boek X uit: Aristot­le. Ethics, translated by J.A.K. Thomson, Harmondsworth (Pen­guin Books) 1955.

[9]In ‘Politica, 1253b25′ komen we de spanning die in het begrip ‘natuur’ naar boven komt, tegen: Slavernij is de manier om de noodzaak te overwinnen en is derhalve niet para physin; het leven zelf vereist het. Hier lijkt het doel de middelen te heiligen, en we vragen ons tegelijk af of het ‘natuur’ hier op de natuur van de slaaf slaat of op de natuur van het menselij­k ras, namelijk de ‘conditione humaine’. Wordt alles hier niet goedgepraat door alles tot ‘natuur’ te verkla­ren, juist pas achteraf. De redenering die luidt: ‘Een slaaf leeft en arbeidt als slaaf (N.B. na onderworpen te zijn), dus moet het zijn natuur zijn, want anders had hij zelfmoord gepleegd’, deugd dus van geen kant. De verklaring achteraf, doet niets anders, dan een menselijke schepping (cultuur) goedpraten door het als natuur te zien.