Psalm 32 – Een kunstig lied


David is een kunstenaar. Hij is een dichter naast God. Deze psalm is geschreven om mensen dichterbij God te brengen. Alleen door open en transparant te zijn, komt een mens in Gods nabijheid.

We vinden in deze psalm een weg naar ‘zaligverklaring’. David schrijft deze psalm als ervaringsdeskundige in menselijke zonden en in het leed dat die zonden met zich meebrengt. Maar David kent ook de andere kant van het verhaal van binnenuit, namelijk het volledig vrij zijn van de last van de zonde en schuld.

Schuldbelijdenis werkt helend en bevrijdend. Zoals de zonde de hele mens tiranniseert en uitbuit, zo werkt de zondebelijdenis van de mens en de vergeving van God genezend voor lichaam, ziel en geest. De complete mens is zowel in het proces van verloedering en ondergang in het geding, als in het proces van herstel en bevrijding.

Davids zaligverklaring

(1)David prijst de mens gelukkig wiens zonde vergeven en overtreding bedekt is. Bij zonde gaat het om een verkeerde handelswijze waarbij het doel gemist wordt. Het eindresultaat van het zondige gedrag staat daarbij centraal (Hebr. ‘Chata’). Bij ongerechtigheid komt de zondige wil samen met de daad om de hoek kijken. Wanneer een mens een zonde begaat, kan men nog wel te goeder trouw (Lat. ‘bonafide’) zijn, bij de ongerechtigheid is dat onmogelijk, omdat het hart te kwader trouw (Lat. malafide) is en men bewust afwijkt van het rechte pad (Hebr. ‘Awoon’).

De vergeven overtreding

De overtreding is echter de meest dramatische van de drie. Hier gaat het om een totale verbreking van relaties doordat men bewust in opstand komt tegen de gevestigde (lees: Gods) orde.  De totale verdorvenheid van de mens zorgt voor een openbaring van moreel verval die zijn weerga niet heeft (Hebr. ’Pesja’). Bij de overtreding kunnen we denken aan de opstand van Absalom tegen zijn vader David (vgl. Ps.3), aan de opstand van Sodom en Gomorra ten dage van en tegen de rechtvaardige Lot die zijn ziel kwelde (vgl. Gen.19:1 e.v., 2Petr.2:6-8) of aan de torenbouw van Babel (vgl. Gen.11).

De weg van zondaar naar heilige loopt via schuldbelijdenis en boetedoening. De zonde reikt ver, maar de genade nog veel verder. De overtreding is groot, maar de genade oneindig groot. De overtreding, die altijd met ontrouw tegenover God te maken heeft, kan vergeven worden. Omdat God trouw is en Zichzelf niet kan verloochenen (vgl. 2 Tim.2:13).

Het gaat bij de overtreding om bewuste en moedwillige zonden die een gedragspatroon vormen in het leven van een mens. Ontrouw is een manier van leven geworden. Een houding van het hart. Een proces van kwaad tot erger. En daar moet radicaal mee afgerekend worden. Alleen God kan dat desastreuze proces doorbreken door vergevend op te treden en zo heling te bewerken.

De overtreding moet vergeven en de zonde bedekt worden (Zie ook: Rom.4:7). We kunnen als het ware geparafraseerd met David zeggen:  ‘Zalig bent u, wanneer u dat uit Gods hand toevalt om niet, gratis’. Want David laat er geen misverstand over bestaan. Genade en vergeving van God zijn beide altijd gave om niet. Zelfs de schuldbelijdenis  op zich, die werkelijk van de mens komt, is geen garantie dat God werkelijk vergeeft. Het blijft een dienst van Gods vrije keus om wel of niet te vergeven. Maar omdat we weten dat God een goede God is die het beste met Zijn schepselen (en kinderen!) voorheeft, mogen we er zeker van zijn dat God vergeeft. Niet omdat wij dat verdienen door boetedoening of iets dergelijks, maar omdat het in Gods aard en natuur ligt om rijk te vergeven. Om trouw te zijn als Partner in het verbond.

De bedekte zonde is ‘onder het bloed’

Overtredingen die vergeven zijn, zijn weggedaan. Voorgoed. Zonden die bedekt zijn, zijn dat ook. We hebben misschien de foutieve veronderstelling dat het eerste, namelijk de vergeving, sterker is dan het tweede, namelijk de bedekking. Want zonden die bedekt zijn, zijn in onze ogen niet echt weg. Ze zitten ergens onder en zijn niet voor altijd verdwenen.

De bedoeling is echter om aan te geven dat deze zonden ‘onder het bloed’  liggen. God ziet het bloed en waar Hij het bloed ziet, gaat Hij voorbij (vgl. Ex.12:13). Daar loopt Hij door. God ziet de zonden die bedekt zijn dus niet meer en Hij herinnert ze niet meer (vgl. Hebr.8:12, 10:17). God plaatst ze in het perspectief van de offers en wel specifiek in het licht van het offer van Golgotha. Daar worden zonden vergeven, verzoend en voor eeuwig bedekt (vgl. Ps.85:3, Jes.6:7). Zijn ze echt weg? Ja, ze zijn voorgoed uit het zicht. En wat God niet ziet, is verdwenen als een nevel. Voorbij getrokken als een wolk (vgl. Jes.44:22).

En wij?

Daarom kunnen we vandaag ‘zalig verklaard’  of ‘gelukkig geprezen’ worden. Ieder willekeurig persoon die schuld belijdt, kan zich in deze psalm identificeren met David. Deze psalm heeft een universele strekking en een hoogst inclusieve boodschap. Zoals de hele Schrift inclusief wil spreken omdat het heil van God uitgaat naar alle mensen en daarom alle mensen insluit (vgl. Titus 2:11).

Schuld die niet telt

(2) Zalig is de mens van wie de zonde niet toegerekend wordt. De Heer wil mensen rijk rekenen en gelukkig prijzen. Wanneer een mens in staat van beschuldiging wordt gesteld en officieel verdacht is,  wordt een misdaad aangerekend.  De rechter doet uitspraak en er volgt een veroordeling.

Iemand van wie de zonden vergeven zijn, is vrijgesproken. Hij wordt niet meer veroordeeld, omdat hij uit de beklaagdenbank is gehaald en geplaatst op genadegrond. De gerechtigheid die hij ontvangt, is toegerekende gerechtigheid. Die heeft hij niet verdiend, maar door belijdenis van zonde en schuld ontvangen. Zo is hij rechtvaardig en heilig verklaard op grond van Gods trouw.

Geen leugengeest

Het moet dan wel gaan om (opr)echt berouw zonder spoor van bedrog. Het luistert nauw, want het gaat hier om belijdenis van alle ongerechtigheid die maar in een mens naar boven komt. Alle zonden die in herinnering worden gebracht door een onrustig en aangeklaagd geweten moeten beleden worden.  Niets blijft ‘top secret’.  Alleen de mens die open en bloot, binnenste buiten gekeerd, voor God wil staan, kan vergeving ontvangen. Zo’n mens is een grote geest omdat hij in Gods licht durft te staan. Dát is een mens zonder bedrog. Iemand die de zonde niet verdringt, wegduwt, wegmoffelt of mooier praat dan die is.

Zwijgen is dodelijk

(3) Zwijgen blijkt dodelijk te zijn voor Davids geest, ziel en lichaam. Speciaal de toestand van Davids lichaam en gestel wordt hier benadrukt. Opgekropte zonde en schuld blijkt vernietigend te zijn voor een mens mét zonde en zonder God. Zwijgen luidt lijden, ziekte en dood in voor een mens die tot communicatie geroepen is. Botten teren weg als een mens met zijn zonde alleen is. Zo diep knaagt de zonde.

Spreken is goud

Maar David kan niet zwijgen, omdat zijn lijden te groot is. Hij kreunt luid en kermt van de pijn. De Godganse dag klinkt de klaagzang, terwijl het zo mooi had kunnen zijn. Geen psalm of loflied ter eer van God, maar een treurlied ter gedachtenis van een mens die intens lijdt onder eigen zonde en schuld.  Zo is een potentiële Godlover, een meelijwekkend schepsel geworden.

Gods drukkende hand

(4) De primaire oorzaak is overtreding, zonde en ongerechtigheid (vgl. vers 1,2). De secundaire oorzaak is de hand van God die zwaar weegt, oftewel de tuchtende hand van God in Davids leven (vers 4). Ook in de nacht is er geen sprake van verlichting. Gods hand blijft drukken als een loden last. Die druk belemmert David in zijn functioneren. Zijn krachten smelten weg als sneeuw voor de zon. Hij is op en uitgedroogd als een mens in zomerhitte zonder eten en drinken. Hij vervluchtigt en verdampt in de hitte van Gods oordeel.

En een mens zonder vocht, tot op het merg uitgedroogd, is op sterven na dood. Misschien kunnen we dit de woestijnervaring bij uitstek noemen. Een mens die alleen is met zijn zonde zonder enige hulp met een bezwaard geweten en daarbovenop zwakte en ziekte.

David vreet zichzelf op door een knagend geweten vol wroeging van ‘had ik maar (niet)……..’  Zo keert de zonde die geproduceerd wordt dóór een mens zich tégen een mens. Als een boemerang. En zo komt een mens zichzelf, vroeg of laat, altijd weer tegen. Geconfronteerd met zaken die gedaan zijn en geen keer nemen. Definitief als ze zijn en niet te veranderen. Want wat gebeurd is, is gebeurd.

Toch kan een mens vrij worden van zijn verleden door zonde- en schuldbelijdenis. Alleen op die manier neemt de negatieve geschiedenis een positieve wending. Want in de vergeving komt de mens los van zijn verleden. Iets dat was, wordt tot niets. Zoals bij scheppen iets gemaakt wordt uit niets, wordt in de vergeving en verzoening iets gemaakt tot niets. Die positieve vernietigende handeling van God werkt verlossend en helend. Daar moeten wij het, in navolging van David, van hebben.

David belijdt zonde

(5) David belijdt zijn zonde. Dat maakt alles anders. Dit moment zorgt voor een totale ommekeer in deze psalm. De belijdenis van zonde en schuld is daarmee minstens zo belangrijk als Gods bevrijdende en ruimhartige vergeving. De openlijke belijdenis van zonde en schuld is de voorwaarde voor vergeving en herstel. Wonden helen wanneer ze open zijn gemaakt en ontsmet zijn.

En wij?

Soms kan de gang naar een broer of zus in het geloof daarbij helpen. In onze broer of zus komt Christus ons tegemoet. Wanneer wij onze zonden belijden aan onze broeder of zuster, ontstaat er ruimte en krijgen we adem. We worden erdoor verkwikt. Wanneer we in de biecht openstaan voor helpende, corrigerende en directieve woorden, kunnen we genezing en bevrijding ontvangen. Het hoeft daarbij niet te gaan om zonden die we direct tegen die broer of zus begaan hebben. Die moeten we so wie so aan hen belijden. Het gaat echter verder.

Ons ‘maatje in het geloof’  kan ons ‘discipelen’ om de volle waarheid van God in en over ons leven te verstaan. Het gaat hierbij om een discipelschapsrelatie die gedachten, woorden en daden ‘open houdt’.  Zo komt Christus ons tegemoet. We voorkomen dat we stikken in diep verdriet van zondebesef en beklemming van een knagend geweten. Het is jammer dat in de kerken zoveel nadruk gelegd wordt op geloof door middel van de openbare geloofsbelijdenis, terwijl er net zoveel reden is om ‘te doen aan’,  al dan niet openbare, zonde- en schuldbelijdenis. Men kan namelijk niet volmondig het geloof belijden zonder de schuld te belijden, zoals ‘genade (pas)oneindig groot is’  wanneer er tegelijkertijd ruimte is voor de ‘ernst van de zonde’.

David bekent de Heer zijn overtredingen

Toen David het totale dieptepunt van zijn ellendige staat bereikt had, gooide hij er alles uit en hield hij grote schoonmaak in zijn leven. Het is niet zozeer een bekendmaking van, alsof God niet wist wat David gedaan had, maar een openlijk toegeven van zijn misstappen. Het gaat hier om een blootleggen van  en een uitkomen voor verkeerd gedrag. Om een opbiechten van schuld. Om een niet mis te verstaan: ‘mea maxima culpa’ (Lat. ‘(het is) mijn grote schuld’).

Zo wil God het hebben. Zo wil Hij het horen. Hij wil weten wat er in ons hart leeft en daarom vraagt Hij absolute openheid en transparantie. Want alleen zó kan Hij gaan genezen wat kapot is gemaakt.

Tot het moment dat David rechtsomkeert maakt door, zoals de verloren zoon deed, die wonderlijke draai te maken naar God de Vader, veranderde er niets aan zijn situatie en ging het bergafwaarts (vgl. Luk.15:17 e.v.). Maar toen de keus werd gemaakt om te belijden en niet langer de zonde te verdoezelen of goed te praten, veranderde alles. David dekt zijn zonden niet langer toe. God kan zonden bedekken, maar het is niet aan een mens gegeven om eigen zonden te verbergen. Die moeten in de openbaarheid.

Weliswaar niet voor de gehele wereld, hoewel  David dit doet door ons zijn psalmen toe te vertrouwen, maar wel in het heldere licht van God. In dat licht worden ze bedekt en verdwijnen ze. Zo leidt totale openheid van zonde en schuld tot een eeuwige verdwijning. God ziet ze één keer, daarna nooit weer. Hij rakelt ze niet meer op, zoals mensen geneigd zijn te doen. Het etiket ‘dief’, ‘moordenaar’, ‘hoer’ of wat ook al is voor goed opgelost. Volledige vrijspraak is het definitieve antwoord op Gods vraag wiens schuld het is.

David ‘heilig’ verklaard?

(6) David kan zich oprecht scharen in het rijtje der vromen. Het gaat daarbij niet om mensen die de status van een heilige hebben ontvangen en nooit (meer) zondigen. Ten diepste gaat het om mensen die trouw zijn in het belijden van hun zonden in de biecht tot God en de naaste. Zij zijn niet volmaakt, maar hebben de moed om hun onvolmaaktheid onder ogen te zien, zonden te belijden en berouw te tonen. In de daad van ‘het zichzelf ten overstaan van God en de naaste binnenste buiten keren’  schuilt de grootsheid van een gelovige. Een zondaar durven te zijn te midden van gelovigen, dat is de levenskunst die geleerd moet worden. En die kunst verstaan we van nature niet. We willen ons groter en beter voordoen dan we werkelijk zijn. Dat is schijnheiligheid. De heilige heeft het vermogen in Gods gemeente zondaar te zijn. En de belijdenis van zonden is de weg naar heiligheid. Zoals Christus voor ons tot zonde gemaakt is in alle openbaarheid, opdat wij rechtvaardigen zouden worden (vgl. 2Kor.5:21). De weg tot heerlijkheid loopt via de vernedering van het kruis. Ons kruis is dat we moeten sterven aan onszelf in de biecht zodat God ons in eer kan herstellen.

Onbereikbaar voor de watervloed

Gods getrouwen, zoals David er één is, mogen tot God bidden wanneer ze in zichzelf een zonde vinden. God is in de biecht aanwezig en laat Zich daar vinden waar zonden beleden worden. God woont bij de gebrokene en verslagene van geest (vgl. Jes.57:15). Daarom kan de gelovige de stormen die woeden aan en de golven die over hem heen dreigen te slaan weerstaan. Zij zullen hem niet bereiken, laat staan overspoelen. Want die gelovige staat op heilige grond waar de onheiligheid van helse en demonische machten geen vat meer op hem heeft en hem niet overweldigen kan. De zondemacht als aanknopingspunt voor Godvijandige machten, gesymboliseerd in natuurgeweld, is verbroken door zonde- en schuldbelijdenis. Hij is vrij.

Veilig bij God

(7) Een volledig vrijgesproken zondaar is vrij en veilig bij een heilig God. Het oordeel is gepasseerd. Bevrijding is een feit. Zonden zijn voorgoed verdwenen. De zondaar is een heilige. Zó kan hij verschijnen voor God en schuilen bij Hem. God behoedt David tegen (natuur)geweld en nood. Ja, meer dan dat. Er is een tegoed aan zegen weggelegd voor hen die vrij zijn van hun zonde en schuld. David wordt omringd door gezang en gejuich. God verblijdt Zich met David over de bevrijding die plaats heeft gevonden.

Wijze raad en inzicht onderweg

(8) Nu kan David verder als heilige en vervolgt hij zijn pad. Het is alsof de Heer hem zelf aanspreekt: ‘Ik ben en blijf met jou op weg. Ik geef jou daarbij inzicht, juist nu dat inzicht nog zo beperkt is. Ik wijs jou daarbij ook de weg. Ik ben jouw Gids’. Stapsgewijs leert David de weg te gaan aan de hand van de Vader. Hij heeft voortdurend sturing en aansporing nodig. Soms als een kind dat zelf de weg niet weet. Hij hoeft daarbij zijn ogen niet te sluiten. Het is geen blind volgen. Hij mag daarbij zijn verstand gebruiken zonder daarop te vertrouwen. Zo mogen wij hem dat nadoen.

Eigen weg loopt dood

David weet wat het betekent om zijn eigen weg te gaan (vgl. vers 1,2). Die loopt, vroeg of laat, dood. Daarmee heeft hij zijn doel (onbewust en dus onbedoeld) gemist. Zonder God is een mens gedoemd om te verdwalen en vast of dood te lopen in het leven. Van die zonde heeft David afstand genomen. Hij heeft belijdenis gedaan en mag nu opnieuw beginnen mét God die de regie van zijn leven in de hand heeft. Zo is God directief aanwezig in het leven van David. Met sturende en misschien soms dwingende ogen slaat God acht op David en geeft Hij aanwijzingen.

Daarbij wordt David volstrekt serieus genomen en niet behandeld als een kind dat zelf wils- en keuzevrijheid mist. Hij moet zélf de weg gaan en zélf wandelen. God raadt hem dingen aan én raadt hem dingen af. God is Raadgever (‘Wonderlijke Raad’, vgl. Jes.9:5), terwijl Hij Zijn oog voortdurend op David laat rusten. Zo kan David opnieuw presteren zonder te wankelen of te struikelen. Zonder zonde, ongerechtigheid of overtreding.

Mensen als redeloze dieren

(9) Vervolgens is er een oproep om niet redeloos te zijn als een paard of een ezel . Dit voorbeeld doet sterk denken aan iemand die zonder maat, zonder rede, zonder binding en zonder orde is. Iemand die niet in toom te houden is, maar losbandig, opstandig en rebels. God waarschuwt David om niet opnieuw in overtreding te vallen, want een (bewuste) opstand tegen God houdt een vernietiging van de openbare orde in. Daarmee zou David ook zichzelf dus in de vingers snijden.

Het is beter voor een mens om zich vrijwillig te onderwerpen aan Gods orde, dan om gedwongen te worden door middel van tuchtmaatregelen zoals  toom en bit in het geval van een paard of ezel. Staan en wandelen in de vrijheid naast God is altijd beter dan met dwang onder de duim worden gehouden door een straffende God die de overtreding niet door de vingers kan zien. Trots en hoogmoed zijn daarbij de aanjagers van opstandigheid en moreel verval. Een goed gebruik van het verstand, dat wil zeggen inclusief het ontzag voor de Heer, leidt tot een gelukkig en rustig leven. Namelijk een leven waarin de aanklacht van een bezwaard geweten verdwenen is en men staat in de vrijheid van het opnieuw en met een schone lei beginnen.  Ook het kwaad van God Zélf zal zo’n mens niet treffen.

Goddelozen ervaren uiteindelijk leed

(10) Een zondig mens heeft veel leed te verduren. We hebben gezien dat David doodziek is vanwege zijn zonde en daardoor verteert. Hij is de ondergang nabij. Zijn moreel is aangetast, zijn lichaam kwijnt weg, zijn geweten is in grote nood met wroeging en het oordeel van God speelt daarin een grote rol. Het is simpelweg teveel. Een gelovige zonder God kan ondergaan in zijn leed.

Liefde omringt de rechtvaardigen

Daarentegen:  ‘Wie zijn overtredingen belijdt en nalaat, die vindt ontferming’ (vgl. Spr.28:13).  Wie op de Heer vertrouwt én zichzelf dus mét al zijn zonde en ongerechtigheid plaatst voor het aangezicht van God, die zal door liefde worden omringd. Dat is de belofte die gekoppeld wordt aan zonde- en schuldbelijdenis. God vertrouwen houdt ook een vertrouwen in als zondaar met zonde. Wie voor God zondaar durft te zijn, toont een groot vertrouwen in God en Zijn vergevend en relatie-herstellend vermogen! Een warme deken van liefde van God Zelf is het gevolg. Want wie met zijn zonde alleen blijft, staat in de kou en in het voorportaal van de dood.

Wees blij en zing

(11) Dan volgt de oproep die we al eerder tegen zijn gekomen als afsluiting van de psalmen. David kan zich scharen onder de rechtvaardigen. Hij is rechtvaardig verklaard door de hoogste instantie in hemel en op aarde. Door God Zélf. En wie zal dan nog beschuldigen? In die menigte van rechtvaardigen waagt David het zelfs om het voortouw te nemen. Hij roept hen op om zich te verheugen in de Heer. Want hoewel alle roem uitgesloten lijkt en hij het voor altijd verspeeld lijkt te hebben, is er volledig herstel. David hoeft niet op de achterste rij te gaan zitten om zich te bewijzen en te zwijgen, nee hij staat gelijk in de hoogste staat van paraatheid. Hij juicht, viert feest en is vooraan in het feestgedruis te vinden. Daar spoort hij de rechtvaardigen aan om Godlovers te zijn. Zonder vrees, zonder  negatieve gedachten, zonder gewetensnood, zonder zonde, ongerechtigheid en overtreding. Alles is nieuw geworden (vgl. 2Kor.5:17). Alle oprechten van hart mogen vrolijk zingen. Want de Heer heeft alle dingen goed gemaakt. Aan Hem de eer. ‘Soli Deo gloria’.

~ Gespreksvraag 1: Welke mensen worden in Psalm 32 ‘zalig gesproken’? (vgl. vers 1 en 2)

~ Gespreksvraag 2:  We kunnen spreken van verschillende gradaties als het om het doen van verkeerde dingen gaat. Welke verschillende aanduidingen gebruikt de Psalmist voor ‘verkeerde dingen’? Wat is het verschil tussen deze drie woorden? (vgl. vers 1 en 2)

~ Gespreksvraag 3:  David is enorm open als het gaat om het belijden van zonden. Hij laat ons zelfs ‘meekijken’ (vgl. bv. Psalm 51). Durf jij de laatste zonde die je begaan hebt met een broer of zus in het geloof te delen? Probeer het eens…

~ Gespreksvraag 4:  Zwijgen blijkt dodelijk te zijn voor David. Wat zegt hij hierover? (vgl. vers 3 en 4) Wat levert de belijdenis van zonde hem op? (vgl. vers 5)

~ Gespreksvraag 5:  Waarom is het belijden van zonden zo moeilijk voor mensen, denk je?

~ Gespreksvraag 6:  ‘Op jou rust Mijn oog’, lezen we in vers 8. Wanneer jij dit leest, heb je dan een veilig gevoel of juist een onveilig gevoel? Dat God alles ziet, is voor veel generaties voor ons, beangstigend geweest. Kun jij je dat voorstellen?

Deel I is hier te bestellen.

Deel II is hier te bestellen.