Oudsten/ouderlingen in Gods gemeente

Overwegingen bij het thema ‘Oudsten of ouderlingen in de gemeente’

In de bijbel komen we mensen tegen die een speciale functie en verantwoordelijkheid in de gemeente hebben. Wanneer ik over de gemeente spreek, doel ik op locaties waar Christgelovigen samenkomen tot eer van de Here God en in aanbidding van de Here Jezus en in dienst aan elkaar. Het gaat daarbij niet om de Gemeente van Jezus Christus die gebouwd wordt vanaf de pinksterdag door Jezus Christus zelf door medewerking van de Heilige Geest. Deze Gemeente (met hoofdletter!) is in die zin volmaakt dat zij deel is van haar Hoofd, Jezus Christus. Zij is universeel, eenvoudig omdat de meeste ‘leden’ al in de hemel zijn. Zij is volmaakt, omdat Christus haar bouwt. Zij is onzichtbaar, omdat de ‘leden’ overal vertegenwoordigd zijn.

De plaatselijke gemeente is zichtbaar. Christgelovigen komen samen op een plaats met een gebouw waar zij hun erediensten, vieringen, bijbelstudies, bidstonden, enz. houden. De plaatselijke gemeente, voortaan gewoon gemeente genoemd, wordt ‘gebouwd’ door feilbare, gebrekkige mensen. Zij is nadrukkelijk niet volmaakt. Kan niet, hoeft ook niet. Om die gemeente te bouwen heeft God leraars, evangelisten, herders en diakenen gegeven. Zij zijn door Gods Geest gekwalificeerd om dat te doen waar God hen gaven en talenten voor gegeven heeft. Specifiek, gericht, ter opbouw en ter ondersteuning van de gemeente. Ook heeft God ouderlingen of oudsten gegeven. Specifiek op hun taken, verantwoordelijkheden, houding en persoon wil ik ingaan.

1.1 Wie stelt oudsten aan?

Een lange discussie die gevoerd is, gaat terug op de vraag: wie stelt de oudsten aan? In de bijbel zien we dat oudsten door Gods Geest worden aangesteld (Hand.20:28). We zien in het Nieuwe Testament dat de Heilige Geest opzieners aanstelt over de gemeente, in vruchtbare samenwerking met de apostelen (Tit.1:5, Hand.14:23). Hoe Hij dat precies doet, weten we niet, omdat de bijbel niets over de ‘procedure’ zegt. Toch hebben we aanwijzingen dat christenen in de omgeving van betreffende oudsten-in-spé oog hebben voor deze dienst of dit ambt. Mensen ‘bewijzen zich’ als oudsten of ‘werpen zich’ als zodanig ‘op’. De apostelen legden als teken van goedkeuring en zegen deze oudsten de handen op. Oudsten zijn daarmee aangesteld onder apostolisch gezag en worden door de apostelen erkend. Zo zijn zij gevolmachtigd.

In de begintijd van de gemeente te Jeruzalem en andere moedergemeenten in die omgeving, waren er nog apostelen die oudsten konden aanstellen. Er zijn in strikte zin geen apostelen meer. En daarom, zo is de redenering van hen die de openbare aanstelling en vertegenwoordiging van oudsten afwijzen, kunnen er vandaag de dag geen oudsten meer zijn. Deze redenering gaat om de volgende redenen, niet op:

1.) De aanstelling van opzieners (oudsten) is het werk van de Heilige Geest. De Heilige Geest heeft zich in de periode van het ontstaan van de eerste gemeenten ‘bediend’ door apostelen. Dat wil nog niet zeggen dat de Heilige Geest zich in andere tijden niet kan ‘bedienen’ van andere geroepenen en gezondenen om oudsten aan te stellen. De Heilige Geest is niet gebonden aan bepaalde personen, tijden of plaatsen.
2.) Het is niet bijbels-theologisch noodzakelijk om de begintijd van de eerste gemeenten als uitgangspunt te nemen en als dogma op te voeren voor leer en leven nu, anno 2012. De zgn. ‘Handelingen der apostelen’ zijn beschrijvingen van geschiedenissen, zij schrijven niet voor. We kunnen uit ‘hoe het was’ niet dwingend redeneren ‘hoe het zou moeten zijn’. Het leven van de eerste christenen is ‘slechts’ een voorbeeld voor ons functioneren in de gemeente en niet een strikt en noodzakelijk Goddelijk bevel.

1.2 Moeten er vandaag oudsten zijn in de gemeente?

Dan blijft de vraag: moeten er vandaag oudsten zijn? In de meest brede zin van het woord heeft de bijbel niets tegen leiderschap. Verkeerd gebruik van leiderschapskwaliteiten wordt echter afgewezen. Leiderschap wordt uitgeoefend door een persoon en met die persoon kan van alles goed of fout zijn. Is de leider ‘fout’, d.w.z. niet integer en oprecht voor God met verkeerde bedoelingen, dan gaat het mis. Ook met het volk. Is de intentie van het volk dat een aardse leider wil verkeerd, dan gaat het om die reden mis. De inauguratie van koning Saul is wellicht het beste voorbeeld. Het voortraject dat het volk inging, was fout omdat het God niet langer als Koning wilde. Toen Saul daadwerkelijk, onder gezag van een profeet overeenkomstig de wil van het volk, tot koning (leider) van het volk Israël werd gezalfd, ging het van lieverlee mis.

De eerste vraag die een gemeente of kerk moet beantwoorden, is daarom: Waarom willen wij oudsten? Wat is ons motief? En: in plaats van God of naast God of als dienstknecht van God en Jezus Christus? De gemeenteleden en de gegadigden moeten hierbij zichzelf en hun hart onderzoeken.

Ja, er moeten oudsten zijn. Waarom ben ik daar zo stellig over? Mensen hebben zichtbare leiding nodig in hun leven. Dat is in hun eigen belang. Zou dat niet zo zijn, dan staan er zgn. geboren of natuurlijke leiders op die onzichtbaar macht uitoefenen. En dat geeft ook nog eens onduidelijkheid. Eenvoudig omdat ze er stiekem toch (altijd al) zijn. Alleen wanneer gezag openbaar is, kan zij besproken en eventueel aangevochten worden. Zichtbaar gezag is nog altijd beter dan géén gezag.

1.3 (H)erkennen van oudsten

De bijbel heeft het over het ‘erkennen van hen die over ons gesteld zijn’. Het is van belang dat de gemeente hen ook herkent, dat wil zeggen hen als zodanig respecteert vanwege hun geloof, liefde, gastvrijheid en goede werken. Het moet zogezegd zichtbaar zijn dat zij goede oudsten zouden kunnen zijn. Het werk van een oudste doen zou vooraf moeten gaan aan de publieke aanstelling en functie van de oudste. Zij mogen zich als zodanig opwerpen, niet opdringerig, maar wel een verschil makend met andere gemeenteleden. Oudsten die aangesteld worden, moeten laten zien dat zij in hun handel en wandel , ja in hun hart, al oudste zijn. Dat wil zoveel zeggen dat zij betrokken zijn bij de gemeente en bewogen zijn met het wel en wee van de gemeenteleden. Het hart moet op de goede plaats zitten.

1.4 Criteria: waar een oudste aan moet beantwoorden

De criteria waaraan een oudste moet voldoen, zijn niet mis. Het is de vraag of er überhaupt oudsten zijn die volledig aan deze profielschets in de bijbel voldoen. Deze kenmerken worden mijns inziens genoemd als richtlijn en niet als zwaarwegende wet van Meden en Perzen. Een sterke aanbeveling voor hen die deze rol van oudste in de gemeente (willen) vervullen. Een functie die niet naar de letter van de bijbel vervuld moet worden, maar in de Geest van de bijbel met het hart op de goede plaats. Zonder dwingelandij van bovenaf, maar dienend in de geest van de Here Jezus die gekomen is om zijn leven te geven tot losprijs voor velen.

Daarmee ben ik beland bij één van de eerste aspecten van het oudste-zijn. Een oudste is een herder met een herdershart. Dit in navolging van de Here Jezus die de Herder der schapen is. Iemand die de functie van oudste bekleedt, treedt in de voetsporen van de Meester. Deze gaf zijn tijd, energie, aandacht en zelfs Zijn leven voor de schapen. Deze prijs moet berekend worden. Wil iemand zijn tijd, energie en aandacht besteden aan de gemeente? Is hij offervaardig? Daarbij denk ik heel concreet aan zorg. Zorg voor gemeenteleden, specifiek voor hen die een extra steuntje nodig hebben in de vorm van een goed gesprek en een luisterend oor. Pastorale zorg. De oudste is in eerste instantie pastor, herder, verzorger, hulpverlener. Hij dient de gemeente door randvoorwaarden te scheppen waarbinnen de gemeenteleden optimaal kunnen functioneren.

Daar hoort het stellen van grenzen ook bij. Leiderschap door waakzaamheid. Niet alles is even goed en moet even makkelijk kunnen. Niet iedereen kan zomaar binnenkomen om een boodschap te verkondigen die de kudde zou kunnen verdelen. Partijschap, dwaalleer en dergelijke moeten voorkomen worden. De oudste waakt ook over de kudde. Hij is waakzaam, oplettend. Heeft een oog voor de omstandigheden en ontwikkelingen buiten de gemeente en de negatieve invloed die daar vanuit kan gaan. Hij waakt over het reilen en zeilen binnen de gemeente opdat niemand enig gebrek leidt. Hij heeft oog voor armoede, ziekte en lijden in de meest brede zin van het woord. Zijn voelhorens of antennes zijn erop gericht signalen op te vangen van gebrek of leed.

Daarbij is het van groot belang dat de oudste de moed heeft stappen te nemen naar gemeenteleden toe. Een zekere vrijmoedigheid is daarbij op zijn plaats. Hij moet op tijd, niet te vroeg en niet te laat, actie durven ondernemen. Aanvoelen wanneer het tijd is om stappen te zetten. In gesprek met gemeenteleden moet hij zich een goede luisteraar betonen. Fijngevoelig zijn om te weten wat hij wel of niet moet zeggen. Soms kan dat een bemoediging zijn, soms een woord van troost, soms een vermaning. Een terechtwijzing kan een geestelijk corrigerende tik zijn. Als een verplegende moeder. Dat was de apostel Paulus voor zijn leerling Timotheüs (Engels: ‘nursing mother’). Het ‘moederaspect’ geeft de warme en persoonlijke kant van de apostel Paulus weer. Het ‘verplegersaspect’ de professionele kant. Beide kanten mogen tot uiting komen in de functie van oudste. Hij probeert nabij te zijn en afstand te houden. Hij heeft zorg voor de gemeenteleden, ziet hoe die zorg moet worden gegeven en geeft die ook daadwerkelijk. Dat alles met een diepe betrokkenheid zoals de moeder op haar kind en de herder op zijn schapen betrokken is.

Goed luisteren is een kunst. Een vaardigheid die iemand onder de knie kan krijgen. Daarnaast heeft iemand een grote dosis energie nodig. Luisteren kost energie. Concentratie en aandacht.

Wordt vervolgd…