Psalm 29 – God van de donder

 

Hoor het donderen en weerlichten buiten. Misschien wil God iets tegen je zeggen. Je hoeft niet bang te zijn, want Hij zal de zon ook weer laten schijnen.

God van natuurgeweld

David schrijft deze psalm omdat hij de Heer heeft leren kennen in het natuurgeweld. De God der ere die als Overwinnaar uit de strijd komt, is ook de God die donderen kan tijdens onstuimig weer (vgl. Ps.24). In onze psalm gaat het speciaal om Gods macht en majesteit in het rollen van de donder. Dit krachtig natuurgebeuren wordt hier gezien als een uiting van God zelf. God doet  dit en laat dit gebeuren. Het is voor ons op een duistere manier ook ‘werk van Zijn handen’.

Vandaag de dag herkennen we God veel minder goed in de natuur. Juist omdat die zo onvoorspelbaar is en onvoorstelbaar wreed kan zijn. Want God is, in onze ogen, juist wél voorspelbaar. In de zin van: we kunnen op Hem aan. Tenminste, dat hopen en geloven we. God maakt geen vreemde sprongen die ons onzeker maken en angst inboezemen. En: God is niet wreed. Hij wil het kwaad niet en Hij is ook niet uit op de vernietiging van de mens door natuurgeweld of natuurrampen.

Natuurlijk weten we op grond van de bijbel dat God boos kan zijn en Zich kan uiten als streng en rechtvaardig. Maar dat is niet het eerste wat in ons opkomt wanneer we aan God denken. Zijn liefde en genade hebben in ons denken toch het hoogste en laatste woord. Daarom kunnen we misschien veel minder met deze psalm uit de voeten dan David en zijn tijdgenoten. We beleven de dingen anders. En dat geldt eveneens voor andere psalmen. Psalmen waar we op z’n minst vraagtekens bij hebben (vgl. o.a.Ps.78:31, 50; 137:9).

Eer aan de Heer

(1)David houdt een pleidooi om de Heer te erkennen. Daarbij spreekt hij allereerst de hoogste instanties aan, namelijk de godenzonen. Het gaat hier om de hemelse hofhouding. Deze bestaat uit zonen van God in de meest brede zin van het woord. Zij zijn engelen die God de eer, macht en majesteit brengen. Want zelfs zij, hoe dicht ze weliswaar bij God staan, moeten Hem aanbidden (vgl. Ps.32:6, Sef.2:11, Hebr.1:6).

Daarmee is meteen duidelijk dat het gedreun van het bliksemend onweer geen krachtmeting tussen weergoden of iets dergelijks is. God zet Zijn kracht niet in om te bewijzen dat Hij de ware God is. Het zou ook Zijn eer te na zijn, om Zich op deze wijze uit de tent te laten lokken. Hij is dan ook niet ‘in’, dat wil zeggen te midden van de bliksem en als kracht present.

God staat boven de natuur en de machten

David wil laten zien dat God boven de natuurelementen staat. Deze elementen neemt Hij hooguit ‘in dienst’ (vgl. Ps.135:7, Hebr.1:14). De goede geesten of engelmachten worden niet ingezet om mét God te strijden tegen de weergoden. Althans, niet op hetzelfde nivo. Want de weergoden zijn Hem ook onderworpen. David roept de hemelse hofhouding ‘slechts’ op om te erkennen dat het weerlichten en donderen aan God onderworpen is.

Erkenning en aanbidding

(2) Het erkennen van de Naam van de Heer, leidt tot diep ontzag en aanbidding. Alle zonen Gods moeten een diepe buiging voor Hem maken. Het is wonderlijk om te zien dat een sterveling zoals David alle hemelingen oproept om de hoogste Gezagsdrager te aanbidden. De Heer verschijnt in de heerlijkheid van het heiligdom. En juist dat is precies de plaats waar schepselen tot lofprijzing moeten komen.

Natuurelementen zijn God onderworpen

We moeten God dan ook niet zoeken en willen vinden in het onweer zelf. Alsof Hij te midden van de donkere wolken wapengekletter laat horen. Ook al laat Hij zich daar soms wel zien (vgl. Ps.18:10-12). Want het luchtruim is Hem namelijk onderworpen. Maar Davids God is principieel anders dan de weergoden. Deze weergoden zijn wel te vinden in de hemelse gewesten. Want deze gewesten zijn, praktisch gezien, hun domein.

(3) De stem van de Heer klinkt wel over de wateren, maar zij blijft tegelijkertijd daar boven hangen. God valt daarom geenszins samen met het onweer. De Heer laat het rollend donderen. En daarin ziet David Gods majesteit. Wij zien die enorme geweldsexplosies op zijn hoogst als tekenen van Gods kracht, macht en toorn. Om er met David de majesteit en heerlijkheid van God in te zien, kost al veel meer moeite.

Davids kennis en onze wetenschap

Daarbij komt nog eens dat wij weten dat onweer ontstaat door botsende deeltjes, ja door  warmere en koudere luchtlagen die botsen. David wist dit uitdrukkelijk niet. Onze kennis werkt niet in ons voordeel als het op geloven aankomt. In de tijd dat de wetenschap niet zover was gevorderd, was het veel gemakkelijker om aan te nemen dat God Zélf direct iets wilde openbaren van Zijn kracht in het natuurgeweld. Nu hebben we bijna overal een wetenschappelijke verklaring voor. Daarom moeten we veel meer ons best doen om Gods stem te verstaan door middel van de natuur. En daarbij: hoeveel van ons gaan daadwerkelijk op de knieën om God te bedanken voor de hoogstandjes van natuurgeweld rondom ons?

De God der ere doet de donder rollen. De Heer van de aarde die oorlogen wint, blijkt ook de Heer van de lucht te zijn. Elders wordt in gelijke termen over Gods openbare heerschappij gesproken (vgl. Psalm 24). Ook hier neemt Hij blijkbaar het initiatief en zet Hij de deeltjes en luchtlagen in gang. Voor ons is het vanuit natuurkundig perspectief duidelijk dát er botsingen plaatsvinden en hóe die plaatsvinden.

Raadsels blijven altijd bestaan

Dit natuurverschijnsel is voor ons weliswaar te verklaren. Toch blijven er vragen over. Want waarom de bliksem nu precies die persoon op die plek moet treffen, blijft ons een raadsel. Echter niet  omdat we het feitelijke gebeuren van oorzaak en gevolg dat zich voltrekt niet begrijpen. Het blijft een mysterie omdat we de bedoeling achter zulke rampen niet begrijpen. Anders gezegd: we vatten de wil van God in dit specifieke lijden niet.

De Heer is op of boven de grote wateren. Hij staat boven de weergoden (vers 1) én Hij staat boven de zeegoden (vers 3). Alles, namelijk lucht, zee en land is aan Hem onderworpen. Dat wil David heel duidelijk benadrukken. En hij kan daar een woordje over meespreken. Want hij weet zelf wat het is om ‘in het water’  aan de elementen of afgoden onderworpen te zijn (vgl. Ps.18:17, 32:6, 69:2,3,15). Hij is ervaringsdeskundige. God heeft hem gered omdat Hij er boven staat. Hij bleek ten allen tijde in controle te zijn.

Eeuwen later

Vele eeuwen later zou er Iemand op aarde zijn die opnieuw gezag toont over de natuur. De wind en de zee blijkt aan Hem onderworpen te zijn. Tijdens een andere gelegenheid zou Petrus zijn kleding niet droog kunnen houden en wegzinken. Ware het niet dat Jezus dit zou voorkomen (vgl. resp. Mark.4:39,41;  6:48, Mat.14:28e.v.).

Kracht

(4) De Heer is Kracht. Die kracht mogen we Hem toeschrijven (vers 1). Maar de stem van de Heer is ook krachtig, ja vol kracht (vers 4). En die stem is ook vol glorie. Deze stem in het onweer is indrukwekkend. Zij wekt diep ontzag en leidt, als het goed is, tot aanbidding. Althans, die kant wil David met deze Psalm op.

Ceders breken

(5) Gods stem splijt de ceders van de Libanon. Deze eeuwig groene naaldboom wordt vol lof bezongen in de bijbel (vgl. o.a. Ez.17:23, 31:3). Het gaat hier om een majesteitelijke verschijning die ontzag inboezemt. Deze boom heeft een stam die een doorsnee kan bereiken van wel twee meter. Hij kan wel een hoogte bereiken van veertig meter. Het is een boom die tot in de hemel reikt.

Maar dan lezen we toch dat zelfs deze indrukwekkende reuzen onder de bomen geveld worden door Gods kracht. Zij houden geen stand wanneer God Zijn gerechtigheid laat zien. Hieruit blijkt dat er niets is, wat God niet kan doen. Zo machtig is Hij. Wat voor ons onmogelijk is, doet God in een handomdraai. Voor Hem is het een peulenschil. God haalt de boel omver en vernietigt wat vorstelijk en eeuwig lijkt.

De Libanon schudt

(6) Heel de Libanon heeft de schrik goed te pakken. Alle begroeide hellingen, die tot op grote hoogte gevuld zijn met cederbos, schudden. Alle dieren van het veld en de vogels in de lucht schrikken. Zij vinden hun schuilplaats en onderdak normaal gesproken rondom deze ceders. Nu schrikken zij op van paniek, wanneer God Zijn stem laat horen. Daarbij wordt de Libanon zelf, inclusief alle woudreuzen, voorgesteld als een angstig opgeschrikt stierkalf. En de berg Hermon wordt vergeleken met een jong van een wild stier (vgl. Deut.3:9). Wanneer God Zijn stem laat horen, zijn zelfs de hoogste bergketens in beroering.

Een stem als een bom met vuur

(7) De stem van de Heer laat met evenveel gemak de bliksem inslaan. Het lijkt alsof David wil zeggen dat de stem van de Heer kan inslaan als een bom, namelijk: plots, onverwachts en spontaan. Deze geweldsexplosie duurt heel even en is daarom voor een kort moment te horen. We lezen elders dat Gods boosheid maar heel even duurt (vgl. Ps.30:6, 103:9).

Het gaat in ons vers om vuurvlammen of vurige schichten, dat wil zeggen pijlen (vgl. Ps.7:14, 18:15). En het vuur symboliseert in de bijbel over het algemeen toorn en oordeel (vgl. o.a. Gen.19:24, Ex.9:23,24; Lev.10:1 e.v., 21:9 enz.). Gods Woord wordt een tweesnijdend scherp zwaard genoemd (vgl. Hebr.4:12, Op.1:16). Ook hier zien we opnieuw het element van recht en gerechtigheid een rol spelen. Dit bleek al zo’n overheersend motief in de psalmen.

De woestijn beeft

(8) De stem van de Heer laat de woestijn beven. De wateren (vers 3), het land met bergen en bomen (vers 5,6) én de woestijn (vers 8) zijn allemaal aan Gods heerschappij onderworpen. Hier gaat het heel concreet om de woestijn van Kades. De verschijnselen die David hier noemt, namelijk het beven en schokken, doen vermoeden dat we hier met een aardbeving te maken hebben. De stem van de Heer laat een spoor van vernieling en vernietiging achter.

Gods stem brengt nieuw leven

(9) Maar dat is niet het laatste wat David te melden heeft over de stem van de Heer. Gods stem veroorzaakt namelijk ook nieuw leven. Hij roept en iets vergaat tot niets. Maar meer nog: Hij spreekt en het is er én Hij gebiedt en het staat er (vgl. Ps.33:9). God riep door middel van Zijn stem de werelden tot aanzien. Zijn Woord heeft scheppingskracht. En dan niet slechts in algemene zin, maar uitermate concreet en specifiek: de hinden laat Hij kalven en de berggeiten jongen werpen. Zo heeft God oog voor het individu. Dat laat David elders ook zien (vgl. Ps.139).

De hele schepping spreekt: ‘Ere zij God’

Vervolgens is het woord aan iedereen. Iedereen die maar mee wil zingen in het ‘koor van de schepping’, mag meedoen. Heel Gods hofhouding roept: ‘Majesteit’. Want deze hofdienaars zijn getuigen van alles wat Gods stem teweegbrengt in het luchtruim, in de zee en op de aarde. Bij deze woorden zal David ongetwijfeld ook heel letterlijk Gods tabernakel of tempel in Jeruzalem voor ogen hebben gehad. Want hij had reeds een bouwplan klaarliggen! Die tempel als residentie en paleis voor God, is zijn grote droom en levensmissie geweest. Dat blijkt duidelijk (vgl. 1Kon.5:5).

We zouden het zo kunnen zeggen: in Gods tempel zwijgt Gods stem in eerste instantie en brengt de menselijke stem God hulde en eer. Daar roept de schepping van God: ‘Ere zij God’. Misschien mogen we hier opmerken dat ook in de tabernakel, de tempel, de gemeente of de kerk plaats is voor een aanbiddend en lovend prijzen van God. En wel heel specifiek voor Zijn macht en majesteit geopenbaard in de schepping. Want dáár gaat het hier over.

God broedt op de oervloed en Hij is soeverein

(10) Nu lezen we dat de Heer boven de watervloed zetelt. Elders lezen we dat de Geest van God op de golven van de tomeloze wateren broedt. Er is geen rem voor de oerkrachten en er heerst een totale wanorde (vgl. Gen.1:2).

God regeert op Zijn eeuwige troon. Deze staat vast en zeker (vgl. o.a. Dan.4:3, 7:27). Hieruit blijkt dat we als mensen op die troon van God aankunnen. We kunnen op God bouwen. Want Zijn heerschappij is tot in eeuwigheid. Voor die Heer moeten zelfs de bandeloze machten en demonische krachten terugdeinzen. De vloed mag opkomen zetten, maar zij overloopt en overdondert ons niet. Want God heeft paal en perk gesteld aan de boze machten die uit zijn op vernietiging van de schepping. Ze kennen hun grens, al is het met tegenzin en veel verzet. Maar niets en niemand in de hemel en op de aarde stoot Hem van de troon af. Alle machten zijn en blijven Hém onderworpen. Hoe dreigend en reëel deze tegenkrachten zich ook laten gelden in ons leven. Hun macht is beperkt en hun gebied begrensd.

Kracht en vrede

(11) David eindigt deze psalm met het noemen van zijn volk. Want het is hem om het volk van God te doen, zoals een goed koning betaamt. De God die Schepper-God is en krachtig in de weer is om alle tegenkrachten eronder te houden, is ook de God die Zijn volk kracht geeft. Het is dezelfde God en dezelfde kracht. Dat is de belofte voor Israël. En beloofd, is beloofd. Maar wat meer is: de Heer zal Zijn volk zegenen (vgl. Gen.12:2). Hij zal het Zijn vrede op het hoofd leggen. Want Israël is Gods gezalfde. Kracht en vrede ontvangen ze samen. Want de stad van de grote Koning zou niet Jeruzalem kunnen heten, wanneer daar alleen de kracht van God aanwezig zou zijn, zonder vrede.

~ Gespreksvraag 1: We hebben hier te maken met een bijzondere Psalm. We lezen hier over natuurverschijnselen. We kijken daar hoogstwaarschijnlijk anders tegenaan dan David. Hoe komt dat?

~ Gespreksvraag 2:  Heb jij God wel eens ‘ontmoet’ in de schepping of de natuur? Kun je een voorbeeld noemen?

~ Gespreksvraag 3:  David wil dat de Heer herkend en erkend wordt. Wie moeten Hem vooral erkennen als machtig God? (vgl. vers 1 en 2)

~ Gespreksvraag 4:  Blijkbaar is Gods stem in staat om veel dingen te doen. Wat zet Hij allemaal in beweging? Wat roept Hij juist op tot kalmte, stilte en rust? (vgl. vers 3-11)

~ Gespreksvraag 5:  In deze Psalm worden de vier elementen genoemd, namelijk: lucht, aarde, vuur en water. Wat zegt David over deze elementen?

~ Gespreksvraag 6:  Alle elementen blijken aan God onderworpen te zijn. Ja, de hele werkelijkheid behoort Hem toe. Ervaar jij in jouw dagelijks leven ook dat alle dingen aan Gods macht onderworpen zijn?