Psalm 28 – De Heer als Kracht en Schild

 

David vraagt om verlossing. Weggerukt worden met goddelozen wil hij niet. Daarom staat hij met lege handen. Alleen de hand van God kan het tij doen keren. Ook voor het volk Israël.

Opnieuw is David aan het woord. De psalmen geven keer op keer aan wat het betekent om door te zetten, te volharden, te strijden, bijna ten onder te gaan en uiteindelijk te overwinnen.

David roept wat af. Roep volgt op roep. Maar het is geen roep in het luchtledige, al hoewel dat soms zo lijkt. Davids geduld wordt vaak zwaar op de proef gesteld. Het geestelijk uithoudingsvermogen dat hij toont, is daarbij echter kenmerkend. We zouden kunnen zeggen: Hij laat God niet los, tenzij Hij hem zegent (vgl. Gen.32:26). De aanhouder wint.

David weet dat God niets mankeert. Hij heeft oren die horen. En dat is dan net weer het pijnlijke. Daarom roept hij: ‘Houd U niet als doof’ (vgl. Asaf in Ps.83:1). God is zijn Rots bij Wie hij alle steun vindt. Op Hem kan hij bouwen. Hij kan God onvoorwaardelijk vertrouwen. Juist dat is het schrijnende. De God, Wiens aard het is te troosten en lief te hebben, laat David in de kou staan. Althans, zo lijkt het.

Als God blijft zwijgen, is het alsof David een dode is. Dan lijkt hij op hen die reeds in het graf liggen. Oftewel: dan heeft het leven geen enkele waarde. Als God zich werkelijk als doof houdt, is dat het einde van het menselijk leven. Als God écht dood is, heeft verder leven geen zin meer. Zo koppelt David de Godsvraag onmiddellijk aan de zinvraag. Ze zijn voor hem onlosmakelijk verbonden.

(2) David wil een luisterend oor vinden. Niet meer en niet minder. Het gaat hier om een luid roepen om hulp in nood. Om bidden, smeken en schreeuwen. David brengt het hele ‘geestelijke wapenarsenaal’ in stelling om God ‘uit de tent te lokken’. Dan moet Hij wel antwoorden en te hulp schieten.

Opgeheven handen

Bij zijn smeekgebed gebruikt hij ook zijn handen. Die worden ingezet als instrumenten om God duidelijk te maken dat hij zelf niets meer in te brengen heeft. Want opgeheven handen zijn allereerst lege handen. Het zijn lege handen die opgeheven worden naar het heiligdom. Om vanuit Sion hulp te ontvangen.

Het is David te doen om volledige steun vanuit het allerheiligste in de tempel. Wonderlijk genoeg heeft hij juist dáár, vlak ervoor (vgl. Psalm 27), intieme geloofsgemeenschap met God ervaren. Blijkbaar bevindt hij zich nu al weer buiten de tempel, weg van Gods tegenwoordigheid. Daarom gebruikt hij beide handen en strekt zich uit naar, wat we vandaag zouden zeggen, méér van God en Zijn Geest in zijn leven.

Opgeheven handen zijn uitgestrekte handen. Handen die met zichzelf verlegen zijn, omdat ze zelf niet in staat zijn te helpen. Opgeheven en lege handen zijn geen gevulde handen die God wat willen geven. Het zijn geen handen die danken en aanbidden. Ook al doet dat gebaar van handen in de lucht in kerkdiensten vermoeden dat dit wel het geval is.

Handgebaar richting het heiligdom

Dat mag natuurlijk zo uitgelegd worden. Als de persoon in kwestie op die manier symbolisch wil uitdrukken dat hij of zij God veel te bieden heeft en hij of zij God zo extra zegent, dan is daar niets op tegen. Als die uiting maar niet bedoeld is om te laten zien hoe vroom men is. Zoals íedere lichamelijke uiting een bepaalde mate van moet je mij nou eens goed bezig zien, met zich mee kan brengen. De richting van het handgebaar kan veelzeggend zijn, maar nooit alleszeggend. David gebaart, oftewel gebruikt zijn handen, om duidelijk te maken dat hij het moet hebben van het ‘hart van het heiligdom’. Het wil zeggen dat hij het van het  ‘heilige der heiligen van de tempel’ wil verwachten. Dat is de aanspraakplaats van God op aarde of de Godgewijde plaats van het huis  (vgl.1Kon.6:16, 8:6).

Kwaad bedrijven en ondergang ervaren

(3) David wil niet omkomen zoals de goddelozen. Hij wil niet met de stroom afdrijven de ondergang tegemoet. Hij wil leven en niet sterven (vgl. vers 2). De goddelozen bedrijven het kwaad (vgl. Ps.5:6, 6:9, 14:4). Dat is hun leven. Zij gaan daarin op én uiteindelijk in onder. Want wat een mens zaait, zal hij vroeg of laat oogsten (vgl. Gal.6:7). Zij wensen hun naaste, die met hen onderweg is, vrede toe. Maar dat is slechts de buitenkant. Voor het oog van de camera, zouden we zeggen. Want dat is wat ze zeggen: ‘Vrede, vrede en geen gevaar’ (vgl. 1Thes.5:3). Dat maken ze niet slechts hun naaste wijs, maar ook zichzelf! De bedrieger bedriegt zichzelf.

Diep in hun hart ziet het er heel anders uit, want daar zinnen ze op kwaad. Daar denken ze zelfs hun vrienden dood. Sterker: zij hebben al een plan de campagne klaarliggen om hun naasten om te brengen. Hun woorden zijn bedrieglijk. We zouden het nog sterker kunnen uitdrukken: met hun mond zegenen zij hun naaste, maar met hun hart vervloeken ze hem (vgl. Ps.62:5). Ten diepste spreken ze over iemand anders het goede van God uit, namelijk: vrede en het goede leven. Zo houden zij een wereld van schone schijn in stand.

Loon naar werken

David vraagt God om hen loon naar werken te geven. Om het hen te vergelden. Zij vergelden goed met kwaad, nu moet God hen kwaad met kwaad vergelden. Beter: God moet rechtdoen. Want het kwaad van deze boosdoeners is van een andere orde dan het kwaad waarmee God hen zal treffen. God zal hen oordelen op grond van hun werken (vgl. Jes.59:18, Rom.2:6). Eerlijk doch rechtvaardig. Want iemand moet de prijs betalen. David vraagt aan God of Hij hen Zélf die prijs wil aanrekenen en laten boeten. En wel volgens het principe: ‘oog om oog, tand om tand’ (vgl. Deut.19:21, Matth.5:38).

De gulden regel van de Psalmen

‘Wat u de mensen  aandoet, dát zal u aangedaan worden door God’. Dát is de gulden regel die David zeer regelmatig in de psalmen hanteert en handhaaft. Zijn leven is gebaseerd op een volmaakt evenwicht. Daarin zal God als Heer der geschiedenis alles wat scheef gelopen is tussen mensen, recht trekken. Alles komt uiteindelijk, door tussenkomst en bemiddeling van God, op z’n pootjes terecht. Ja, alles komt goed. Want het kan niet zo zijn dat de wolf tot in lengte van dagen ongestraft blijft voor het verscheuren van lammetjes.

En wij?

En wij? Wij kunnen hetzelfde gevoel hebben als David. Het is zo herkenbaar. De één heeft een groter rechtvaardigheidsgevoel dan de ander. De één is daarom ook krenkbaarder dan de ander. Dat heeft onder andere met de opvoeding en de ontwikkeling van het geweten te maken. Levenservaringen spelen daarbij ook een grote rol.

Maar hoe dan ook geldt dat de meesten van ons momenten kennen, waarop de dingen bijzonder onrechtvaardig voelen. Waar we door geraakt worden of ons door laten raken. Door beelden op televisie bijvoorbeeld. Maar vooral wanneer ons persoonlijk onrecht wordt aangedaan. Door een broer of zus in het geloof. Vooral dát kunnen we niet verdragen. Juist als hij of zij die met ons brood eet ons zo behandelt. Elders wordt dit voorbeeld genoemd van iemand die innig vertrouwd wordt en geliefd is (vgl. Ps.41:10)[1]?!

Het zit er, om zo te zeggen, ingebakken dat we eerherstel willen. En wel in dit leven of in het leven hierna. ‘God komt wel klaar met die persoon’, denken of zeggen we dan. Want het is ook niet niets wanneer een mens als het ware ‘door christenen gekruisigd’ wordt. Hetzij door roddel, hetzij door achterklap of door wantrouwen of door geschonden vertrouwen.

Eerherstel in dít leven of daarna

David zoekt voortdurend eerherstel in dít leven. Toch weten we dat deze wereld zo niet in elkaar zit. Mensen worden soms onschuldig vermoord en komen nooit meer aan hun recht. Maar wij geloven in een leven hierna.

David gelooft ook in een hiernamaals, maar het zwaartepunt van de psalmen ligt toch aan déze zijde van het graf. Het zwaartepunt ligt voor hem niet in een hemel of bij een grote witte troon. Het ligt ook niet bij de rechterstoel van  Christus of in een eindoordeel van God aan het einde der tijden.

Rechterstoel van Christus: plaats van vergelding?

De rechterstoel van Christus blijkt de plaats te zijn waar de werken van de gelovigen beoordeeld worden. Daar zal gekeken worden naar de vruchten van het geloof. Er zal ook gelet worden op de intentie en motivatie waarmee God en mensen op aarde zijn gediend. Het is een plaats van beoordeling en niet zozeer van veroordeling. Want daar wordt loon verdeeld.

Wanneer we spreken over deze rechterstoel van Christus, is het zeer de vraag is of deze stoel gebruikt zal worden ter openbare correctie van een medebroeder of –zuster. Alsof Christus hen daar echt even de wacht aan gaat zeggen in onze nabijheid en hen die ons kwaad hebben gedaan een reprimande geeft. Laat staan dat het een plek is, waar een eindafrekening wordt gepresenteerd. Waarbij er bijvoorbeeld een balans wordt opgemaakt voor ruziënde en scheurende broeders.

Als er al sprake is van vergelding, dan toch waarschijnlijk niet op de manier waarop David God wraak wil laten nemen. David wil dat God reageert als ‘verlengstuk’  van zijn eigen emoties. God laat Zich niet op deze wijze inzetten.

En wat ons emotionele en soms exceptionele rechtvaardigheidsgevoel betreft? Het gelijk willen hebben en gelijk willen krijgen zal in de hemel waarschijnlijk tot juistere proporties zijn bijgeschaafd. Deze heftige gevoelens spelen ons wellicht minder parten in een staat van volmaaktheid en gelukzaligheid. Waarschijnlijk zijn zaken die we nu breed uitmeten, daar helemaal geen issue meer.

Praktisch atheïsme: blind voor God en Zijn werk

(5) De goddelozen leven zonder God. Ze geloven niet in God en zullen om zich heen nimmer Gods daden opmerken. Degene die God niet kent, ziet Gods handelen niet. Een mens moet al enigszins weten wie God is, om Hem op te kunnen merken in Zijn werken. Iemand die niet in God gelooft, zal nooit de vingerafdrukken van God herkennen in de schepping. Hij zal God daar dan ook nooit voor kunnen bedanken. Om de doodeenvoudige reden dat hij de lens dichtgedraaid heeft.

Er is dus een blinde vlek ontstaan die hij zelf gecreëerd heeft. Zonder geloofsinzicht in God en zonder geopende ogen voor God, ontbreekt ieder zicht op Gods schepping. De praktisch atheïst heeft zichzelf bij voorbaat afgesloten voor een avontuur met God.

Kunnen we God kennen in de schepping?  Já, voor zover we al enig idee hebben van een Schepper en die kennis dus toelaten en ons daarvoor openstellen. Néé, voor zover we ons hart en in het verlengde daarvan ons verstand al af hebben gesloten voor God Zélf. En zeggen:  ‘God bestaat niet’. Los van een open en positieve grondhouding is het onmogelijk om God te herkennen in Zijn handelen. Het toestaan van God en Zijn openbaring in het hart is voorwaarde om Hem op te merken in de schepping.

Schepping, natuur en openbaring

Openbaring begint dus niet pas tijdens een wandeling in de natuur. Hoewel er mensen zijn die op grond van een ‘verrassing door vreugde en ontzag’  in bijvoorbeeld een prachtige tuin tot levend geloof in God zijn gekomen. Zo lijkt het erop dat zij via de schepping of natuur tot de overtuiging zijn gekomen dat er een Schepper-God is. Om vervolgens tot de slotsom te komen dat die Schepper-God alleen de God der christenen kan zijn. En om als laatste te concluderen dat die God zijn Zoon voor hem of haar heeft gegeven aan een kruis.

Deze stappen zouden kunnen wijzen op een weg van algemene openbaring[2] naar bijzondere openbaring[3].  Hierboven is betoogd dat de weg tot ware kennis van God én de mens altijd begint bij het hart. In dit opzicht start zij dus ook bijzonder of individueel.

Niet willen, niet kunnen

David verwijt zijn vijanden dat zij achteloos voorbijgaan aan de daden van de Heer en het werk van Zijn handen. Daarbij kunnen we opmerken dat dit verwijt terecht is: het is hun eigen schuld. Maar aan de andere kant moeten we zeggen: zij kunnen nu ook niet anders. Samengevat: zij konden wel, maar wilden niet; nu kunnen ze niet meer, al zouden ze willen. Ze zijn verhard en hebben een bord voor de kop, waar ze deels zelf debet aan zijn.

God helpt een handje

David vraagt aan de Heer of Hij zijn vijanden af wil breken. Daar is God eigenlijk al langer mee bezig. Davids vijanden volharden in hun zonden en God laat ze daarin wegzinken. Zij graven hun eigen graf en zijn al lang op weg hun ondergang tegemoet. Dat doen ze zelf ‘in samenwerking met’ God. Want God zorgt ervoor dat dit proces van erosie en totale afbraak tot het einde toe uitgevoerd wordt.

De daden van de goddelozen zijn als een boemerang. En God houdt de boemerang in de lucht. Hij zorgt ervoor dat dit voorwerp landt waar het hoort, namelijk bij de personen die het wierpen. Deze mensen worden op grond van hun werken veroordeeld (vgl. Op.20:12,13). Is het God die hen oordeelt? Ja. Doen ze dat zelf? Ja, hun daden ‘getuigen’ tegen hen (vgl. Job.15:6, Jes.59:12, Jer.14:7). Zo zal God het werk van hun handen niet bevestigen. Integendeel, Hij breekt het tot aan de grond toe af. En met hun daden, breekt Hij hen zelf af. Daarna zullen ze niet meer opgebouwd worden. Daders en daden zullen samen vernietigd worden.

Zie daar het roemloos einde van de mens zonder God.

Onderscheid dader en daad

Het onderscheid tussen ‘zondaar’  en ‘zonde’  wordt nog al eens op de spits gedreven. Dit gebeurt dan vooral tijdens evangelisatiediensten. Toch is dit onderscheid of deze scheiding moeilijker vol te houden dan we denken. De daden worden in de bijbel nooit los gezien van de persoon. Want de daden vloeien uit de persoon voort. We zijn als mensen eigenlijk in onze daden aanwezig. Die produceren we. Ze  komen uit ons hart voort.

In onze daden laten we zien wie we zelf zijn. Maar de bijbel hangt ons nooit helemaal op aan onze daden. Er is vergeving mogelijk. Daarom blijft de persoon in kwestie nimmer in zijn daad gevangen. Het principe en gezegde ‘Eens een dief, altijd een dief’, vindt in de bijbel geen weerklank .

God neemt de daad echter net zo ernstig als de dader. Maar voor de daad is vergeving nodig om de dader vrij te zetten. Zo innerlijk verweven is de mens met zijn zondige, maar ook met zijn goede daden. Maar zo groots is het ook wanneer God de zonden niet aanrekent. Omdat Hij alleen via die weg een heilige van een mens kan maken.

De meerdere zegent de mindere

(6) De Heer zij geprezen, of: de Heer zij gezegend. David schenkt God het goede door middel van de Psalm die hij aanheft. Want God heeft zijn hard geroep gehoord. Hij heeft alle reden om God te danken én zelfs om God te zegenen. Dat laatste gaat wel heel ver.

In de bijbel is het de normale gang van zaken dat de mindere door de meerdere gezegend wordt. Vader Jakob zegent bijvoorbeeld zijn zoon Jozef (vgl. Gen.48:15), God zegent Abraham (vgl. Jes.51:2) en Melchizedek zegent Abraham (vgl. Heb.7:1). De meerdere blijkt in de praktijk de macht en autoriteit te bezitten, om de mindere het goede van God mee te geven. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het thuiskomen van de strijd in de situatie van Abraham. Of vlak voor het ‘op reis gaan’, dat is sterven, in Jakobs geval. De meerdere heeft wat te bieden. Hij heeft meer te geven dan de mindere.

De mindere zegent de Meerdere

In deze Psalm en ook verderop (vgl. Psalm 118) wordt van rol gewisseld. Niet God de Meerdere  zegent, maar de mindere. Zo waar blijkt Gods volk en in ons geval David, juist God te zegenen. Toch hoeven we daar niet gek van op te kijken. Want in de bijbel vindt vaak een omkering van perspectieven plaats. Er wordt een wonderlijke draai gemaakt, zouden we kunnen zeggen. Zo wordt de Heer bijvoorbeeld  Knecht, dient de meerdere de mindere, wordt de slaaf juist vrij, wordt de Heilige gerekend met de zondaren, worden zondaren heiligen genoemd, enz. enz.

God dienen door te zegenen

Wanneer wij God aanbidden, dienen wij Hem. Dat doen we door Hem te zegenen. In onze aanbidding drukken wij onze afhankelijkheid van God uit. Zó dragen we bij aan Gods glorie. Wij leggen de gaven die we hebben aan Zijn voeten neer. We kronen Hem als koningen en priesters tijdens onze erediensten. We belijden daarmee dat Hij Heer is. Zo zegenen wij God.

Kunnen wij God verheerlijken?

Kunnen wij God ‘groter maken’ dan Hij al is? Ja en nee. Ja, voor zover we daarmee bedoelen dat Zijn naam door ons heen zichtbaar wordt. Namelijk als getuigenis voor de volken en mensen om ons heen. God wil zich inderdaad door ons verheerlijken (vgl. 1 Kor.6:20, 2 Thes.1:12). En als wij God zegenen, dan manifesteert Hij zich nog grootser en heerlijker in ons leven. Het antwoord op bovenstaande vraag luidt ‘nee’, voor zover we bedoelen dat wij God aanvullen qua wezen. Anders gezegd: Hij wordt door onze zegen niet méér God dan Hij al is. We dragen zogezegd geen steentje bij aan Zijn Goddelijk wezen.

God heeft ervoor gekozen om Zich door ons heen nog meer te manifesteren aan de wereld. Het goede dat wij God als het ware op het hoofd leggen, is een symbolisch eerbewijs aan Zijn goedheid. Zo stapelen we goedheid ‘op’  Goedheid.

Praktisch theïsme: oog voor God en Zijn werk

(7) David heeft wél oog voor de daden van de Heer in zijn leven (vgl. vers 5 met vers 7). De  Heer heeft David kracht verleend. Sterker: de Heer ís zijn Kracht. Er gaat kracht van Hem uit, omdat Hij de Kracht- en Levensbron is. De Heer is een Persoon, maar op grond van dit vers en verzen elders kunnen we opmerken dat de Heer ook een Kracht is. De Heer is Geest die blaast als de wind. Zo geeft Hij adem aan allen die Hem aanroepen.

David heeft met heel zijn hart op God vertrouwd. Nu is hij geholpen. God heeft hem de veerkracht gegeven om de draad van het leven vast te houden. Daardoor is hij opnieuw tot aanbidding gekomen. Zijn hart hoopt op God en die hoop wordt niet beschaamd. Want zijn hart wordt er zelfs beter van. Het kan zich opnieuw uiten in lofprijzing. Zijn hart springt op van vreugde (vgl. 1Sam.2:1, Ps.68:5, Spr.11:10).

Zo wordt David verrast door blijdschap. En dat is de reden waarom David God wil loven door het zingen van een lied. Want wat in het hart zit, komt er vroeg of laat uit. Davids gezang is het middel om God hulde en eer te bewijzen.  Zo brengt hij een dankoffer.

God als Kracht van David én Israël

(8) De Heer is niet alleen Davids kracht. Hij is ook de kracht van een heel volk. David ziet het heil in breed perspectief. Het is hem te doen om heil voor iedereen binnen de landsgrenzen van Israël. Hij blijft niet steken in zijn eigen situatie, maar wil Gods aanwezigheid in breder verband zien. Het is God in Davids ogen te doen om de behoudenis van heel Israël. Heel het volk moet ‘amen zeggen’  op Gods belofte en trouw. Deze heeft Hij namelijk bewezen in het leven en de geschiedenis van Zijn volk (vgl. 1Kron.16:36, Neh.8:7, Ps.106:48). Daarom claimt David God niet slechts voor zichzelf. Van heilsegoïsme of iets dergelijks is in het geheel geen sprake.

Ons heil als heil voor de wereld

Zo mogen wij Gods heil niet voor ons zelf houden. We kunnen het ons niet permitteren om slechts te roepen: ‘ik ben verlost of wij zijn verlost’. Met als consequentie dat we zelfgenoegzaam ‘met een boekje in een hoekje’ belanden. Gods heilsplan is fundamenteel en van meet af aan gericht op héél de schepping. God denkt inclusief. Want alle mensen moeten behouden worden. Hij ziet dat de hele schepping zucht en dat zij wacht op Zijn openbaring via Gods kinderen. Die verlossing mogen we haar daarom niet onthouden. Ook al mogen we blij zijn met het feit dat ‘wij door genade kinderen van God zijn’. Het neemt niet weg dat ons individuele behoud niet het eindstation van Gods daden is. Want dan lijken we echt te vergeten dat Gods heil dieper en verder reikt dan welk individu ook. Hoe belangrijk ieder mens voor God ook is.

God als Burcht, David als vertegenwoordiger

God is een Burcht van verlossing voor Zijn gezalfde. Hier hoeven we niet per definitie aan koning David alléén te denken. We mogen in dit vers bredere verbanden zien. David is als gezalfde namelijk vertegenwoordiger van al die andere joden en Israëlieten. Zij zijn als collectief eveneens gezalfd. Zoals duidelijk uit die Bijbelgedeeltes blijkt waar Israël Gods kind of zoon wordt genoemd (vgl. o.a. Hos.11:1, Jer.31:20). Israël is onder andere: Gods troetelkind, Zijn gezalfde, Zijn lieveling, Zijn oogappel en Zijn uitverkorene. Deze metaforen of beelden worden gebruikt om aan te geven dat Israël is aangesteld om tot zegen te zijn voor de volkeren.

We kunnen zeggen dat achter de zichtbare overwinning van koning David en zijn onderdanen, de kracht van God Zélf verscholen ligt. Wat voor het blote oog ‘slechts’ een overwinning van David is, is een principiële overwinning van God. En het is juist deze God die David als Zijn gezalfde en volksvertegenwoordiger naar voren geschoven heeft.

David besluit om met een directe oproep tot God de eindverantwoordelijkheid te nemen. God is Eigenaar van dit volk en het is Zijn eigendom. Dat wil David heel helder hebben. Hij zegt dit niet om zo zijn eigen verantwoordelijkheid af te schuiven op God. Wel wil hij duidelijk maken wat zijn plaats te midden van het hele wereldgebeuren is. David beveelt, zoals een goede herder betaamt, zijn schapen aan bij de Here God. Dit ‘zwaktebod’ is zijn kracht. Want er is voor een koning-herder als David niets moeilijker dan het uit handen geven van de touwtjes.  Daarmee belijdt hij namelijk:  ‘Ik apart en wij samen hebben U nodig, God!’

Red en zegen het volk Israël

(9) ‘Red het volk, want het behoort ten diepste U toe. Zegen het volk, want het is van Uw goede gaven afhankelijk. En draag het volk, want het volk heeft zonder U geen kracht om op eigen benen te staan’. Zo draagt David als koning-herder de dienst over aan de Opperheer en Opperherder. Want het werkterrein van David is in wezen het domein van de Here God Zelf. Tot in eeuwigheid.

Besluit

In navolging van David mogen wij deze ‘aspecten van herderschap’ in praktijk brengen in Gods gemeente. We mogen een lid van de kudde vrij zetten wanneer er nood is, dat wil zeggen: we mogen het verlossen. We mogen een gemeentelid zegenend de handen opleggen en met hem of haar bidden, dat wil zeggen: hem of haar zegenen. En we mogen zorg dragen, ja elkanders lasten dragen, dat wil zeggen: de zorgen van de ander delen.

In de wetenschap dat wij niet de eindverantwoordelijken zijn. Daarom kunnen we onze zorg voor de gemeente aan het eind van iedere dag overdragen. We mogen de zorgen teruggeven aan Hem die ons deze herderstaak heeft toevertrouwd. Want naar wie we ook toegaan in nood: de Heer is er reeds. En wanneer we vertrekken: de Heer blijft bij de hulpbehoevende. Die wetenschap maakt ons werk lichter en draaglijker. En God geeft kracht.

~ Gespreksvraag 1: Het lijkt soms alsof God zich doof houdt en zwijgt. David heeft deze ervaring (vgl. vers 1). Herken jij dit? Zo ja, hoe zou het komen dat God soms niets van Zich laat horen?

~ Gespreksvraag 2: Als God blijft zwijgen, zal David ook maar beter voorgoed kunnen zwijgen. Wat zegt hij hierover in vers 1? Ben jij het met hem eens?

~ Gespreksvraag 3:  David gebruikt zijn handen op een bepaalde manier (vgl. vers 2). Gebruik jij je lichaam ook om duidelijk te maken wat God voor jou betekent? Zo ja, hoe?

~ Gespreksvraag 4: Het hart, de tong en de handen van een mens kunnen soms heel ver van elkaar verwijderd zijn. Wat zegt David hierover? (vgl. vers 3 en 4) Herken je dit bij jezelf of in je omgeving?

~ Gespreksvraag 5:  David vraagt nogal wat van God (vgl. vers 5). Heb jij dit mensen die geen rekening houden met God en Zijn geboden, wel eens toegewenst, of iets soortgelijks gedacht?

~ Gespreksvraag 6: Zowel de koning als het volk zijn aangewezen op Gods redding en bescherming. Hoe zie je dat in deze Psalm terug?



[1] Het moet er uitdrukkelijk bij gezegd worden dat we hier onmiskenbaar te maken hebben met een Messiaanse dimensie. Dit Psalmvers is uiterst concreet vervuld in het leven van Jezus de Messias. Hij deelde en at het brood met zijn discipelen die Hij zijn vrienden noemde. Speciaal Judas blijkt degene te zijn die het vertrouwen van de Meester op gruwelijke wijze schond (vgl. resp. Joh.15:14,15; 13:18).

[2] Dit is de openbaring van God aan de mens via de natuur of de schepping, door middel van de rede en verstandelijk inzicht.

[3] Dit is de openbaring van God aan de mens via het kruis van Christus, door middel van het Woord van God aan het hart. Deze kennis is kennis via het hart over het menselijk hart. Zij is bijzonder, omdat zij alleen gegeven is door en in de Heilige Schrift.

Deel I is hier te bestellen.

Deel II is hier te bestellen.