Psalm 27 – Grote begeerte om bij God te wonen

Hier is het verlangen van een mens om niet op afstand te blijven, maar om iedere dag van zijn leven dichtbij God te zijn.

Licht én licht, Heil én heil

Dat de Heer David licht geeft op zijn pad, zijn we al verschillende keren tegengekomen. We zullen dat nog vaker tegenkomen (vgl. o.a. Ps.4:7, 36:10, 43:3 enz.). Nu belijdt David dat de Heer Zélf zijn licht is. Ook is al menigmaal naar voren gekomen dat het heil van de Heer komt (vgl. Ps.3:9, 9:15, 13:6, enz.). Nu gaat hij verder. Want de Here Zélf is zijn heil. Dat laatste zien we ook elders terug (vgl. Ps.35:3, 38:23, 62:3,7 enz.).

Het vertrouwen op God is de basis van Davids bestaan. In het licht van Gods bescherming en gezondmaking, kan David alle vrees overwinnen (vgl. o.a. Ps.3:7, 23:4). Het lijkt overmoedig om de vraag: ‘Wie zal ik vrezen?’, met:  ‘Niemand!’ te beantwoorden. David kent periodes in zijn leven waarin deze uitroep van geloofszekerheid en Godsvertrouwen niet op het puntje van zijn tong ligt. Sterker: hij kent periodes van angst en onzekerheid. Zelfs doodsangst is hem niet vreemd.

Dood en doodsangst

Deze angst zouden we de vrees voor het grote onbekende kunnen noemen (vgl. Ps.6:6, 13:4). Zij is onbekend omdat we geen ervaring hebben met doodgaan. Die ervaring is eenmalig en die ‘vaardigheid’ kunnen we niet leren. Degenen uitgezonderd die een ‘bijna-doodervaring’ hebben gehad of aan de rand van de dood hebben gestaan.

David heeft de dood in de ogen gekeken (vgl. Ps.4:2, 22:12). Hij kent angsten. Daarom stelt hij deze vraag vanuit zijn menselijke kennis en levenservaring. Vanuit zichzelf valt er niet veel ‘op te scheppen’. Maar met de Heer als manifestatie en ‘belichaming’  van alle licht, kan niets of niemand hem angst inboezemen en belagen. Het licht is sterker dan de duisternis van de dood. En de openbaring van alle heil, weegt op tegen ziekte en zwakheid. De Heer is zijn burcht. Bij Hem is David veilig.

Retorische vragen

Deze retorische vragen vinden we ook in het Nieuwe Testament. Mét de vraag is het antwoord reeds gegeven. ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?’ (Rom.8:35) Antwoord: ‘Niemand!’ Blijkbaar heeft die liefde een bewarende en beschermende kracht. Merk op dat Paulus hier geen beroep doet op het recht van God en de gerechtigheid van Christus. Dat zouden we misschien wel verwachten in deze brief aan de Romeinen.

We hebben de liefde van Christus blijkbaar nodig om te overleven in een koude en kille wereld. Alle tegenmachten en –krachten die ons willen weerhouden om de liefde van Christus te blijven ervaren, moeten bij voorbaat het onderspit delven. Niets en niemand kan iets inbrengen tegen Christus’  liefdevolle tegenwoordigheid in ons leven. Daarvan zijn we verzekerd (Rom.8:38)!

Machten ervaren door mensen

(2) David heeft het geweld van die antigoddelijke  machten ervaren. En wel speciaal in de ontmoeting met boosaardige mensen. Zij stormen op hem af, terwijl hij geen kant op kan. Hij is hartstikke benauwd. De adem wordt hem ontnomen. Want zij willen hem als bloeddorstige beesten verscheuren en zijn vlees opeten, zodat er niets van hem overblijft. Ze zijn uit op totale vernietiging.

Maar dan zien we een grote wending. Terwijl zijn vijanden vlakbij zijn om hun plannen ten uitvoer te brengen en David de genadeklap te geven, struikelen en vallen ze. David treedt niet in details over het ‘hoe’ en ‘waar’. Het is in ieder geval duidelijk dat David in de teloorgang en totale ondergang van zijn vijanden, de bewarende hand van God ziet. Toch is dat niet kras genoeg uitgedrukt. Want er gebeurt meer. God bewaart David niet slechts, Hij grijpt bruut in. Hij zorgt ervoor dat Davids vijanden in de positie terecht komen, die zij David hebben toegedacht. Nu gaan zíj struikelend ten onder. Dat heet nog eens ‘onderhouding’ van de schepping!

Veilig wonen in oorlogstijd

(3) Dan volgt wat wij misschien grootspraak zouden noemen. De hele strekking van deze tekst zal duidelijk zijn. Zonder God is David nergens, mét God is David ‘overal’.  Mét God kan hij de hele wereld aan. Al wordt hij belegerd door een leger. Als God zijn burcht is, houdt hij stand. Dan vreest hij geen kwaad en vindt hij rust voor zijn hart bij God. Zelfs al woedt er een oorlog en is deze tegen David gericht. Of al woeden er meerdere tegelijk en moet hij als koning van Israël alle vijanden buiten de landsgrenzen van Israël houden. Dan nog vertrouwt hij erop dat hij veilig zal wonen (vgl. Ps.4:9, 16:9). Namelijk: door God die zijn licht en heil is (vgl. vers 1).

Veel vragen, één begeerte

David heeft God al veel vragen gesteld in het gebed. En hij zal die blijven stellen. Namelijk: Hoe lang nog? (vgl. Ps.6:4, 13:2,3) Waarom? (vgl. o.a. Ps.10:1, 22:1) Wanneer? (vgl. o.a. Ps.42:3, 101:2)

(4) Zijn al die vragen samen te vatten in die ene, grote vraag en begeerte? Want wat begeert David precies? Slechts één ding. Eén ding begeert David van zijn Heer, namelijk of hij alle dagen van zijn leven mag wonen in Gods huis. Dat is nogal wat.

David wil een permanente verblijfsvergunning. Hij wil Gods tempel als woonplaats hebben. We zouden het misschien vanzelfsprekend hebben gevonden als David zou zeggen dat hij permanent aan het hof wil wonen. Als een koning die eindelijk rust vindt van alle geleverde strijd en oorlog. Of heel anders: dat Davids verlangen zou zijn dat hij permanent onderweg is, omdat hij als herdersjongen niet stil kan zitten. Omdat hij gewend is om zich altijd te verplaatsen ten behoeve van zijn kudde. Onrustig in hart en lijf, behorend tot een herdersstam.

Zo is het dus niet. Hij wil geen vast verblijf in zijn paleis. Én hij wil niet rondtrekken als een herder die continue moet zoeken naar malse weiden en veilige plaatsen voor zijn schapen. David wil rust (vgl. 1Kron.23:25, 28:2). Hij wil een plek vinden aan het hart van God. Hij wil zelfs niet éénmalig op audiëntie bij de Koning in Zijn tempel. Nee, David wil in Gods tegenwoordigheid wónen.  Daarmee vraagt hij nogal wat.

Godzoekers vragen veel

Toch mogen gelovigen als Godzoekers zo in het leven staan. Ze mogen de hemelse Vader alles vragen (vgl. Matth.7:7, Jak.4:2). Een voorbeeld: waarschijnlijk zijn er weinig kleine kinderen die lang gaan prakkiseren over wat ze wél en niet aan hun ouders kunnen vragen. Zij durven alles zonder nadenken aan hun vader of moeder te vragen. Zij zijn vrijmoedig en ongecompliceerd.

Nu, die houding kenmerkt David ook. Hij vraagt alles aan God zonder schroom. Ook nu denkt hij niet: dat is teveel gevraagd. Hij heeft een gezond verlangen en dat verlangen uit hij. Zo mogen wij vandaag ook in het leven staan. Als mensen die durven te vragen zonder bang te zijn om teveel te vragen en afgewezen te worden. Want God wijst niet af. Dat doen mensen.

Vraag aan David

We zouden de volgende vraag aan David kunnen voorleggen:  ‘Is dat nodig, David, een tempel, je hebt toch al een paleis?’  We moeten niet vergeten dat hij in eerste instantie een tempel voor God Zélf wil bouwen. David heeft een paleis. Daarom is het voor David ongehoord dat God géén woonplaats heeft. Daar zet David zich voor in en dat is zijn motivatie. Tegelijkertijd wil hij er zelf ook de vruchten van plukken. Hij wil genieten van Gods tegenwoordigheid. Want die werkt bewarend, beschermend, helend en rustgevend.

Wanneer we iets met oprechte bedoelingen vragen met het oog op Gods werk én we profiteren daar zelf van, dan is dat geen schande. Om de simpele reden dat God Zijn zegeningen graag met ons wil delen. Immers, we zijn Zijn kinderen en al het Zijne, is het onze. Opnieuw moeten we niet in tegenstellingen denken.

De Godsontmoeting

David wil de liefde van de Heer zien én Hem ontmoeten. Het gaat David om een Godsontmoeting. Het is David te doen om God. En daarin wordt hij zelf gezegend. Het gevolg is de gastvrijheid die hij ervaart. Hij komt thuis bij God. Zo vindt hij rust bij Gods altaren, net als de mus en de zwaluw (vgl. Ps.84:4). Zelfs deze draaikont respectievelijk zenuwlijder onder de vogels, vindt rust. Ook David kan zijn spreekwoordelijke ei daar kwijt en vrucht dragen voor de Heer, zijn Koning.

In Gods huis, te midden van Zijn gemeente, mogen wij onder de indruk komen van al Zijn schatten. Daar mogen we onze zegeningen tellen. We mogen door middel van Gods Woord en Geest onderzoeken hoe rijk we zijn in Hem. Daarbij mogen we ons zelf onderzoeken. Namelijk bekijken of er iets in ons hart is voor Hem én ontdekken hoe liefdevol Hij is.

Huis van aanbidding is ook schuiladres

(5) Maar we zien dat er in het huis Gods evenzeer plaats is voor emotie en verdriet. David mag schuilen onder Gods dak. God zet zijn huis open voor verschoppelingen. Voor mensen die door de samenleving buiten gesloten en verstoten worden.

Hier denkt David opnieuw aan vijandelijke machten die hem bedreigen. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Dan houdt God, bij wijze van spreken, open huis en slaat Hij de deuren wijd open. God verstopt hem dan veilig in Zijn tent. Daarmee doelt David hoogstwaarschijnlijk op de tabernakel. Want dáár moet David het tijdens zijn eigen leven van hebben. De tempel die David voor God klaar heeft liggen, bestaat slechts in gedachten. Er is een bouwplan en praktische voorbereiding  (vgl. 1Kon.5:5, 8:19, 1Kron.22:2).

De veiligste én gevaarlijkste plek

Het gaat hier om een schuilplaats in het verborgene van Gods tent. Diep in Gods tent mag David schuilen. Op de meest veilige plek. In Gods tegenwoordigheid. We zouden bijna denken dat hij in het heilige der heiligen, op de meest volmaakte plek, mag uitrusten. Aan Gods Vaderhart en tegen Gods borst en schouder gedrukt. Een betere plek is er immers niet?!

Tegelijkertijd zouden we kunnen denken dat het de gevaarlijkste plek is op aarde. Want hoe kan een zondig mens dáár wonen? Huiveren we niet bij de gedachte? Hoewel David keer op keer zegt dat hij onschuldig is, is hij niet volmaakt zoals God volmaakt is. Hij is niet heilig zoals God heilig is. Dat is, zelfs een gelovig sterveling, niet gegeven.

Volmaaktheid op aarde?

Een volledige afzondering van het kwaad is voor stervelingen niet weggelegd. Alleen al vanwege het feit dat mensen hun zondige hart meenemen. Daarom heeft de heiligingsbeweging het principiële van afscheiding en afzondering niet gezien. Want willen we werkelijk tot volmaaktheid komen, dan is het niet genoeg om met een boekje in een hoekje te gaan zitten. Wereldmijding is niet het antwoord op ons diepste probleem. Willen we heilig zijn, dan moeten we allereerst afstand nemen van ons zelf en ons zondige hart. En dát kan nu juist niet in het ondermaanse. Want dan moeten we letterlijk en figuurlijk sterven. Namelijk: sterven aan de zonde en verlost worden uit ons bestaan dat ten dode is. Inclusief ons lichamelijk bestaan (vgl. Rom.7:24).

Rust vinden bij God

David mag komen in de tegenwoordigheid van God. Hij mag rust vinden in een wereld vol onrust en vijandschap. Daar wordt hij verhoogd en in eer hersteld. Geplaatst op een rots. Hij is nu bestand tegen de vijandelijke zee van mensen die tegen hem aan beuken. Bij God mag hij stevige grond onder zijn voeten vinden én hoog en fier overeind staan.

(6) Nu maakt het niet meer uit hoeveel vijanden hem omringen. Zij verzamelen zich onder hem, maar hij staat hoog op de rots in Gods tegenwoordigheid. Dat kwalitatieve verschil van niveau maakt alles anders. Zijn vijanden verzamelen zich aan zijn voeten. Hier doemt het beeld op van een vorst die door zijn koningsheerschappij het volk aan zich onderwerpt. Want de rots of de berg is een beeld van een koning met een koninkrijk. David ‘ligt’ boven, zij ‘liggen’ onder, om het in termen van een man-tegen-man-gevecht uit te drukken. David kan zijn hoofd opheffen. Want hij hoeft niet eens op hen neer te kijken om hen in de gaten te houden, want ze kunnen hem toch niets doen.

Met opgeheven hoofd

Wij kunnen vandaag ons hoofd ook omhoog heffen. Want onze redding is nabij (vgl. Luk.21:28). Maar we kunnen ook belijden dat Satan onderworpen is. Hij ligt aan onze voeten (vgl. Rom.16:20). Hoewel hij nog fel uithaalt en pogingen doet om ons te verslinden. Toch krijgt hij geen grip meer op ons. Omdat God ons door Christus op de rots gesteld heeft. Die veiligheid en zekerheid mogen we ervaren. En we hebben daar weet van door hetgeen de bijbel ons zegt. Want we zijn verzekerd dat niets en niemand ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die in Christus Jezus is (vgl. Rom.8:38).

Offers

Daarom brengt David dankoffers. Sommigen spreken vandaag de dag  over klapoffers. Hoe we ook offers brengen, het belangrijkste is dat het hart daar maar in mee komt. David wil juichend offeren. Hij handelt én hij spreekt terzelfdertijd. De trompetten moeten schallen. Ja, iedereen moet meedoen in het koor van de mensen die verlost zijn, om een ander beeld te gebruiken. Elke gelovige moet actief en betrokken zijn. Gelukkig is David niet de enige die offert en juicht. Er zijn meerderen met bezieling.

Geen eenmansbediening

David kan niet alles tegelijk:  enthousiasmeren, dirigeren, zingen, jubelen, klappen en op de trompet blazen. Zijn inbreng is beperkt. Een eenmansbediening bestaat niet in de aanwezigheid van God. Tenminste, niet in de tegenwoordigheid van een God die altijd, van zonsopgang tot zonsondergang, groot gemaakt wil worden. Ook in de tempel of kerk is God, als het goed is, niet aangewezen op de inbreng van één of twee personen. Dat zou niet gezond zijn. En praktisch gezien zou het ook onmogelijk zijn, zoals we hierboven opmerkten. Een mens kan geen onbeperkt aantal ballen tegelijkertijd in de lucht houden. Dan overvraagt hij zichzelf.

Een voorbeeld: David speelt harp, maar nergens lezen we dat hij ook trompet speelt. Een priester die offert, heeft zijn handen nodig. Hij kan niet op hetzelfde moment een instrument bespelen. Ieder mens heeft een beperkt aantal gaven. Die gaven mogen ontdekt en vervolgens ingezet worden in Gods koninkrijk in het algemeen of in de kerk in het bijzonder.

Ook al is het mogelijk dat één persoon meerdere gaven heeft ontvangen van God, kan hij onmogelijk álle gaven en talenten bezitten. En zou er in een gemeente zo’n persoon bestaan, dan zullen ze die binnen de kortste keer overvragen en vervolgens overspannen de kerk uit kunnen dragen. Als iemand de ambitie heeft om zelf die vele rollen mét die vele gezichten in de kerk te vervullen,  dan graaft hij ook zijn eigen graf. En dan hebben we het nog niet eens over de vraag of het gezond is voor een kerk om één dominante en talentvolle leider te hebben.

Terug naar David

David kan en wil alles weer. Nu de Heer hem een schuiladres heeft geboden en op de rots heeft geplaatst,  komt de drang naar een leven vol overgave aan God naar boven. David herleeft. Hij wil offeren, juichen, zingen en musiceren. Hij blijkt uitermate ambitieus te zijn.

Blijkbaar kunnen dingen naast elkaar bestaan. We zagen dat reeds eerder (vgl. commentaar bij vers 5). Enerzijds komt David in Gods huis om te schuilen tegen zijn vijanden, anderzijds komt hij tot aanbidding en lofprijzing. De wereld is een groot huis van angst. De tabernakel of de tempel is een huis van liefde. Daar woont liefde. Daar woont God. David mag thuiskomen bij God. Hij mag alles vertellen wat hij onderweg naar Gods huis toe, heeft beleefd.

Kerk als huis van liefde en trouw

Zo mogen wij als gelovigen vandaag, als het goed is, thuiskomen in Gods gemeente of kerk. Het is een plek van veiligheid en zekerheid. Daar mogen we opgebouwd worden in het geloof. Ook mogen we daar een stukje zekerheid ontvangen in een wereld vol onzekerheid. We mogen er liefde en trouw beleven. Zowel de trouw van God, als ook de trouw van mensen. De persoonlijke zaken die we bespreken, zijn in het huis van de liefde, in veilige handen. Wat in vertrouwen gedeeld wordt, komt niet naar buiten. Daarom kunnen mensen die op de vlucht zijn uit angst of vanwege ziekte, zich op hun gemak weten. Medegelovigen mogen hun vertrouwen niet beschamen. Daar doen mensen in een ‘gezonde’ gemeente hun uiterste best voor.

Plaats voor emoties

Mensen worden in zo’n kerk niet raar aangekeken vanwege emoties. Integendeel, mensen die emoties uiten worden vriendelijk aangesproken en moreel gesteund in hun verdriet. Zij vinden warmte en eventueel een arm om zich heen. Er is ook plaats voor geloofstwijfel en onzekerheid. Mensen die het even niet meer weten of het even niet meer zien zitten, krijgen de ruimte. Ze krijgen niet direct een etiket op geplakt en worden niet gelijk af geserveerd of op een zijspoor gezet. Er is in de kerk van Gods liefde volop ruimte voor de menselijke ervaring.  Belevenissen krijgen een plaats in het licht van Gods aanwezigheid. Zo mogen mensen zichzelf zijn.

Eventuele afwijzing van emoties

Wij mogen, net als David, ook aanbidden en lofprijzen. We mogen God vertellen hoe groot Hij is. Dat mogen we met blijdschap en vreugde doen. Met enthousiasme en spontaniteit. Ook díe emotie van volkomen vreugde mag gezien worden. Daarin moeten we ons niet laten belemmeren door barricades in ons zelf.  De gedachte wat anderen wel niet van ons zullen denken, is dodelijk voor ons geestelijk leven.

Op het moment dat we ons bewust worden van een bepaalde emotie zoals spontaniteit, stoppen we spontaan te zijn. Sommige dingen moeten we gewoon doen, zonder erbij na te denken. We mogen onnozel, impulsief en uitgelaten zijn als een kind. Dat wil zeggen zonder reflectie van: wat als zus zo denkt en wat als die dat ziet.

David weet wat het is om afgewezen, beschimpt en veracht te worden. Toen hij met veel bombarie, geschreeuw, gezang en gejuich de ark van God Jeruzalem binnenhaalde, oogstte hij kritiek en minachting van zijn vrouw (vgl. 2Sam.6:12,15,16). Hij liet zich echter niet ontmoedigen en God zegende hem. Daarin mag hij een voorbeeld voor ons zijn.

Roep om communicatie

(7) Opnieuw klinkt de roep om God. David kan zijn verlangen om communicatie met God te hebben, niet vaak genoeg benadrukken. De Heer is nabij, David heeft een schuilplaats gevonden, en toch……. Het is en blijft allemaal niet vanzelfsprekend. Misschien is de vraag van David ook wel of zijn situatie zo blijft. Kan hij er van op aan dat God hem blijvend herbergt? Of is hij toch weer op een tussenstation beland en dendert de trein straks verder? Een mens weet het maar nooit. Daarom vraagt David opnieuw aandacht: ‘Luister naar mij, Heer en ontferm u over mij!’

Oók in de tegenwoordigheid van God kunnen we ons afvragen of er wel naar ons geluisterd wordt. Of God wel de volle aandacht voor ons en ons probleem heeft. Want hoe we het ook wenden of keren, we blijven mensen en individuen, ook in de kerkgemeenschap. Daar zijn veel meer mensen die om Gods aandacht vragen. Zou het zo kunnen zijn dat God hun gebeden misschien wél en mijn gebed misschien niet verhoort? Dan is de roep: ‘Antwoord mij, God!’ toch niet vreemd.

Vraag en wedervraag

(8) Vervolgens praat David God na. God zoekt aanbidders. Hij zoekt mensen die Hem zoeken met hun hele hart. Want God wil zo graag gebeden zijn en een dankgebed horen. Dat kan wanneer een mens Zijn tegenwoordigheid zoekt. Maar het kan ook andersom zijn: een mens die wil dat God hem zoekt en vindt. Zo’n mens is David. Hij vraagt God om zíjn, dat is Davids, tegenwoordigheid te zoeken. Of God de moeite wil nemen om met hém van gedachten te wisselen. Of zelfs met hem in tweegesprek of conclaaf te gaan.

David draait het om en reageert op z’n joods: hij beantwoordt de dwingende vraag of oproep van God met een wedervraag. In de trant van: ‘Ik zoek Uw aangezicht wel, Heer, maar zoekt U mijn aangezicht ook?’ Aan David ligt de miscommunicatie blijkbaar niet. Hij zendt wel. Nu is het de vraag of God de Ontvanger van de boodschap is. Het gaat om een wederzijdse en wederkerige relatie. Om een relatie op voet van gelijkheid, namelijk als gelijkwaardige verbondspartners.

Verlatingsangst: geloof versus twijfel

(9) David wil dat de Heer in zijn tegenwoordigheid blijft. Hij smeekt de Heer om hem niet te verlaten. David wil zich blijvend binden aan zijn Heer en altijd wonen in Gods nabijheid. Daarin toont hij geloof, maar ook twijfel. Hij beseft dat déze verblijfplaats bij déze Hoofdbewoner niet vanzelfsprekend is. God kan Zich zomaar verbergen. Hij kan Zich verduisteren als de zon. En dat terwijl de Heer een licht is (vgl. vers 1)!

Te midden van die twijfel noemt David zichzelf een knecht. De geest van verwerping en afwijzing lijkt zich meester van hem te maken. Net als bij de verloren zoon. ‘Ach vader, maak mij maar toch één van uw knechten’ (vgl. Luk.15:19). Die geest heeft David hoogstwaarschijnlijk ‘opgelopen’ tijdens zijn omzwervingen door de woestijn, toen hij op de vlucht was voor zijn vijanden. Deze geest neemt hij nu ook mee Gods tabernakel in. Twijfel en vertwijfeling alom. Er heerst ontreddering.

Vervreemding en verleden

Hij lijkt zich zelfs te vervreemden van God: ‘Wijs mij niet af in Uw toorn’. Opnieuw is er zo’n omslag. David heeft net nog gesproken over Gods liefde (vgl. vers 4). Hij wil Gods liefde aanschouwen. Maar dan is er toch die angst voor de toorn van God. Hij kent God niet als een God met een januskop. Waarbij liefde en haat min of meer tegelijkertijd als twee tegengestelde polen naast elkaar voor komen. Zijn God is geen vijand die hem continue vijandig gezind is. Juist daarom schuilt hij bij die God! Waarom dan toch die twijfel?

Hij beroept zich opnieuw op het gemeenschappelijke verleden en hun gedeelde ervaringen. God is er altijd voor hem geweest. Hoe groot Davids nood ook was, God was altijd op zijn leven betrokken. Deze gemeenschappelijke geschiedenis als verbondspartners, is de reden waarom David God aan Zijn woord houdt. Dát is het kleine stukje geloof dat middenin Davids duistere wolk van twijfel nog aanwezig is.

Ontfermen en verstoten

De vraag dringt zich levensgroot op, hoe het kan dat de God die vraagt om Zijn nabijheid te zoeken, David verstoot?  Hoe kan de God die instaat voor zijn heil en gezondheid, hem eenzaam en verwond achterlaten? Want aanhangen en ontferming staan toch haaks op verwerpen en afstoting?

David denkt God te kennen, maar hij kent God nog zo slecht.  ‘Laat mij niet los’ is één, ‘Verstoot mij niet’ is twee. Het eerste is meer passief, het tweede meer actief. Verstoten is eigenlijk bewust iemand wegdrukken. Terwijl we elders lezen dat God niet toelaat dat er iemand is (dus ook Hijzelf niet!), die Zijn kind uit Zijn hand rukt (vgl. Joh.15).

Wegdrukken en wegrukken zijn geen woorden uit het vocabulaire van een God Wiens aard het is lief te hebben! God gooit David dan ook niet uit Zijn huis, oftewel Hij verstoot niet. Én Hij verdwijnt Zelf niet uit Zijn eigen huis, oftewel Hij verlaat niet. David lijkt meer last van verlatingsangst te hebben ten opzichte van God, dan angst voor zijn vijanden (vgl. vers 1-3).

Voorbeeld: ouders en hun kinderen

(10) Normaal gesproken verlaten kinderen hun ouders (vgl. Gen.2:24). David brengt hier het denkbeeldige voorbeeld ter berde, van ouders die hun kind verlaten. Zelfs als dát het geval zou zijn, wat wij ons misschien maar moeilijk voor kunnen stellen, dan zou de Heer hem liefdevol aannemen. Sterker: de Heer zou hem opnemen in de kring van gelovigen, namelijk in Gods huis rond Zijn altaren. Want de geduldige liefde van de Heer reikt verder dan die van liefhebbende ouders die hun beperkingen hebben. Davids verlatingsangst is dan ook niet gegrond (vgl. vers 9).

Steun tegen vijanden én zichzelf

(11) Daarna volgt, zoals zo vaak het geval is in de Psalmen, de vraag om wijsheid. Het is de vraag om wijsheid bij het vinden en bewandelen van de rechte weg. Het gaat om de volgende imperatieven: ‘Wijs mij, leid mij en bescherm mij!’ David vraagt steun van God tegen zijn vijanden. Het zijn de belagers op zijn pad. Daarnaast moet David ook tegen zichzelf in bescherming genomen worden. Zoals we hierboven zagen, kan de  geloofstwijfel zo toeslaan en het houvast in het leven plots verdwijnen. Daarom heeft David moed nodig om door te zetten en niet op te geven.

Burcht zonder indringers

Een burcht of vesting is een plaats van veiligheid en bestaanszekerheid. Maar wanneer daar iemand huist die heult met de vijanden rondom, wordt alles anders. Dan is niets meer zeker.

(12) David lijkt het nog niet helemaal te vertrouwen. Hij vraagt God om hem niet uit te leveren aan de belagers die Gods huis willen bestormen. Het zijn dieven en rovers die van elders binnendringen om de kudde te verscheuren (vgl. Joh.10:1,10). Het zijn doodsvijanden die vol begeerte en lust toekijken. Het zijn valse getuigen. Zij hopen dat God er in trapt en dat Hij David overlevert in de handen van de goddelozen. Zo spelen zij een gemeen spelletje. Want lukt het niet met geweld en kracht, dan doen ze een poging met list en bedrog.

Ze werken op dezelfde manier als de duivel. Want als Satan de strijd niet kan winnen als briesende leeuw, dan manifesteert hij zich wel als een engel des lichts (vgl. 1Petr.5:8, 2Kor.11:14). Het doel, namelijk de totale ondergang van Gods kinderen, heiligt alle middelen.

Behoudend geloof

(13) Het geloof in de goedheid en liefde van de Heer, geeft David levenskracht. Zonder dat bederfwerend en behoudend geloof zou David al lang vergaan zijn. David vertrouwt erop te zien wat hij nu nog niet ziet, namelijk de goedheid van de Heer in het land van de levenden. Dáár wil hij levend aankomen. Dáár wil hij alle dagen van zijn leven genieten van de tegenwoordigheid van de Heer (vgl. vers 4). Die goedheid wil hij hier en nu, al in dít leven en in Israël, genieten.

Besluit

Zo mogen wij Gods goedheid genieten en Zijn liefde reeds in dít leven ervaren. In het huis Gods, in de gemeente of in de kerk of hoe we het ook noemen. Op iedere plaats waar Hij een tafel voor ons bereidt en wij zijn gast mogen zijn, is er feest en overvloed (vgl. Ps.23:5, 78:19).

Soms moeten we daar, net als David, op wachten. Soms moeten we heel, heel lang wachten totdat het licht opnieuw doorbreekt en we tafelgemeenschap met de Heer mogen ervaren. Dan is geduld nodig. We mogen leren wachten én verwachten dat Hij Zich aan ons openbaart ter gelegener tijd (vgl.Hebr.4:16). David bemoedigt ons hierin. Tot twee keer toe spoort hij ons aan om op de Heer te wachten. Want Hij komt. ‘Wees sterk en dapper’ , dat is onze kant van het verhaal. Dat moet onze grondhouding zijn. ‘Dan zal Hij uw hart versterken’, dat is Gods kant van Zijn verhaal met ons. Dat doet Hij. Zo mogen we, zij aan zij met de Heer, als  partners in afhankelijkheid en verbondenheid met Hem leven.

~ Gespreksvraag 1: David noemt in deze Psalm één sterk verlangen dat hij heeft (vgl. vers 4). Heb jij ook dit verlangen? Stel dat iemand jou zou vragen wat jij het meest begeert, wat zou jij dan antwoorden?

~ Gespreksvraag 2: David gebruikt verschillende metaforen of beelden voor God. Welke? (vgl. vers 1) In welk beeld herken jij God het meest?

~ Gespreksvraag 3:  Welke verschillende metaforen of beelden noemt David als het gaat om veiligheid en geborgenheid voor een mens? Denk hierbij aan voorwerpen waarop of waarin een mens kan schuilen. Welk beeld spreekt jou het meeste aan?

~ Gespreksvraag 4:  David lijkt last te hebben van verlatingsangst. Kun je dat uitleggen? (vgl. vers 7-9) Kun jij David begrijpen? Uit welke gedachte put David troost (vgl. o.a. vers 9 en 10).

~ Gespreksvraag 5:  Welke verwachtingen spreekt David uit? Hoe spoort David het volk en indirect ook ons aan? (vgl. vers 13 en 14)

~ Gespreksvraag 6:  Als jij David vandaag zou kunnen bemoedigen, nadat jij Psalm 27 van hem hebt gelezen, wat zou jij dan tegen hem willen zeggen?

Deel I is hier te bestellen.

Deel II is hier te bestellen.