‘Onze Vader’

Als we bidden, mogen we bidden in de wetenschap dat God per definitie met ons en ons lot begaan is. We hoeven Hem niet de dingen duidelijk te maken. Hij weet wat we nodig hebben. God heeft ons gebed niet nodig, maar door dit gebed krijgen wij deel aan de hemelse goederen. We mogen bidden in de luwte, in de rust, in de stilte, alleen met de Vader. Het gebed is niet demonstratief. Tegenover anderen die ons horen. Niet om anderen de les te lezen of een steek onder water te geven in de vorm van publiek gebed.

Het verborgene mag openbaar worden voor Gods genadetroon. In de wetenschap dat God reeds weet wat wij, wat u en ik, het komende jaar nodig hebben. Het gaat erom dat God mij hoort. Niet dat ik mijzelf hoor en denk: ik heb toch wel goed gebeden, nu zal God mij wel verhoren?! Dan heb je je loon reeds. Je hebt je eigen gebed verhoord/gehoord. Het gaat er niet om dat ik weet wat ik behoef, maar dat God weet wat ik behoef, nog voor dat ik Hem daarom vraag. Bidden is vragen in de zekerheid dat God mij geeft wat ik in Zijn ogen zo hard nodig heb.

Het ‘Onze Vader’ is een gebed dat de eeuwen door heeft geklonken in veel kerken. Met dit gebed is niets mis. De Here Jezus heeft het ons geleerd. We kennen het uit ons hoofd. Het is opgezegd en herhaald, als een soort mantra. Mensen zeggen het op als papegaaien die hun verzen uit het hoofd hebben geleerd en naar goed gebruik opdreunen. Het is daarom uitgekauwd. Wij zijn niet zo opgevoed.

Het ‘Onze Vader’ wordt geleerd in het Koninkrijksevangelie, in het Mattheüsevangelie.Daar hoort het thuis en moet het vooral blijven staan. Ons heeft dat gebed niets (meer) te zeggen. Het is bedoeld voor het koninkrijk van de hemelen, oftewel het koninkrijk van God, als blauwdruk of grondpatroon voor het rijk van Christus (1000-jarig rijk). Dat kan allemaal waar zijn. Maar in die gedachte schuilt een groot gevaar. Het ene deel van de bijbel is voor vroeger, het andere deel voor nu en de Bergrede, waar ons gebed een plaats heeft, voor het duizendjarig rijk. Zo plaatsen we een groot deel van de bijbel buiten onze eigen tijd en kunnen we niet de zegen ervaren die juist in zo’n gedeelte ligt.

Het wegzetten van Bijbelgedeelten voor een bepaalde tijd wordt ook wel aangeduid met ‘streeptheologie’. Daarmee bedoel ik het volgende. Een groot gedeelte van het Nieuwe Testament wordt weggezet in de kast. Dat gedeelte hoort bij het verleden van de apostelen. Het hoort thuis in de ‘bedeling’ van de apostelen. Door deze Bijbelgedeelten wordt als het ware een streep gezet. Een vette streep. Niet meer van en voor onze tijd, zeggen we dan. Maar daarmee ontnemen we onszelf en andere christenen de zegen die van een bepaald gedeelte uit kan en mag gaan. Daarmee beperken we onszelf en anderen. Daarmee stoppen we God in een doosje en maken we Hem heel erg klein.

Wanneer we bijvoorbeeld zeggen ‘dat, dat en dat gold voor die tijd en beslist niet voor nu’, selecteren we in de bijbel en beperken we de macht van God in ons leven. We zeggen: ‘dat, dat en dat deed God toen door die, die en die persoon heen….’, maar dat doet Hij nu niet meer. Er bestaan geen wonderen meer, er zijn geen oudsten meer…..Die hoorden bij de tijd van de apostelen. Maar wat aangaande nu, geneest God vandaag niet meer, wil Hij dat niet, kan Hij dat niet?’

Door te denken vanuit de idee dat God alleen in de tijd van de apostelen handelde naar Zijn wil en nu niet meer, leggen we ons zelf, anderen en God beperkingen op, die ik niet terug zie in de bijbel. We mogen breed denken en niet smal. We mogen grote dingen van God verwachten, niet alleen nu, maar ook voor later. God is niet verandert, ook al lijkt Hij in de loop van de geschiedenis voorkeur te hebben om naar eigen inzicht en gedachte te handelen. Daar is Hij God voor. Maar laten we niet bij voorbaat schrappen in de bijbel. Verzen en gedeelten schiften en fileren met een fileermesje, zo van: ‘dit is wel voor nu en dat is niet voor nu’. Dat is niet aan ons.

We hoeven mensen niet te veroordelen die hun stokpaardjes hebben. Ook hen niet die iedere week het ‘Onze Vader’ opdreunen. Zelfs al hebt u daar vraagtekens bij, laat hen begaan. Misschien bidden wij het ‘Onze Vader’ wel te weinig vanwege onze theologie of ideëen daarover.

- Wie? Onze Vader – we hebben een gemeenschappelijke Vader die we samen mogen aanroepen. Hoewel we allemaal onze eigen, persoonlijke geschiedenis met God hebben, mogen we een gemeenschappelijke geschiedenis delen. Mijn God is onze God, mijn Vader is onze Vader. Ruth had dat al begrepen tegenover Naomi en Maria Magdalena begreep dat toen zij de woorden horen van de zgn. tuinman: ‘Houd Mij niet vast, Ik ga heen tot mijn Vader en tot uw Vader, tot mijn God en uw God’

- Waar? Die in de hemel is – God woont in de hemel en wij zijn op de aarde. Dat is nogal een verschil, een verschil tussen dag en nacht.
- Naam geheiligd-temidden van zoveel onheiligheid, willen wij ook dit nieuwe jaar ingaan met het verlangen om Gods naam te heiligen. Zijn Naam is heilig en wij kunnen die niet heiliger maken dan hij is of die Naam ontheiligen. Toch willen wij die Naam eren en verheerlijken in ons leven van alledag.

- Wil geschied-in de hemel geschiedt Gods wil ten allen tijde. Daar zijn engelen die komen en gaan, dienende geesten. Maar we willen dat Gods wil ook op aarde geschiedt. In ons persoonlijk leven.

- Koninkrijk komt-dit is diep in ons hart het verlangen dat aanwezig is. Soms verder weg, soms dichtbij. Dan borrelt er iets op van dat diep verlangen naar Gods rijk. Gods koninkrijk is reeds aanwezig in hen die Hem dienen en die zich onderwerpen aan Gods wil. Waar het koninkrijk van God is, daar geschiedt Gods wil en waar Gods wil geschiedt daar wordt een stukje van Gods rijk manifest. Zo zijn Gods Naam, Gods Wil en Gods Koninkrijk innerlijk met elkaar verbonden. Waar Gods naam wordt geëerd, waar kinderen van God samenkomen in het gezag en de autoriteit van de naam van de Here Jezus, daar manifesteert zich Gods Koninkrijk, daar wordt zijn heerschappij zichtbaar en zijn wil volbracht. Waar de Here Jezus bad: ‘Uw wil geschiedde’ werd Gods koninkrijk op dat stukje aarde in de hof van Gethsemane ten volle onthuld. Zo kon het terrein van de machten der duisternis tegelijk het terrein worden van de macht van God. Daar wordt Gods wil volbracht. Zelfs op de meest donkere plekjes op aarde.

- Geef ons heden ons dagelijks brood – De dingen zijn niet vanzelfsprekend. Wij zijn op aarde en hoeven ons niet te schamen om het meest eenvoudige en basale voor ons lichaam te vragen. Ons brood – gemeenschappelijk voedsel. We nemen het niet, we ontvangen het om niet. Dagelijks – opnieuw, voor iedere dag genoeg, zoals elke dag ook genoeg heeft aan zijn eigen zorgen.

- En vergeef ons onze schulden – we vergeten zo licht en makkelijk waar we vandaan komen. We denken aan ons brood, maar denken we tevens aan alles wat in Christus ons vergeven is? God verhoort dit gebed als wij ook elkaar broederlijk vergeven. Niet slechts mijn schuld, maar alle schuld, gemeenschappelijk, wordt ons vergeven.

- En leidt ons niet in verzoeking – die verzoeking hoeven we niet uit te lokken ter manifestatie van ons geloof – bewaring van de boze (bad de Here Jezus in Joh.17)

- Want van u is de kracht – bewarende en beschermende kracht als een schild rondom ons. In Christus is de vervulling van al onze vragen. In Hem is Gods kracht, geschiedt Gods wil en komt Gods rijk.