- 0001 Job en het menselijk lijden

Job en de rationalisering van het lijden (‘JOB 1′)

Het is waardevol en belangwekkend dat degene die lijdt niet doodgegooid wordt met dooddoeners. Een overgeestelijke houding – gevolgd door een logica die vroeg of laat wel moet stranden en onmenselijk is – is sterk af te raden.

Iemand die met de simpele logica en argumentatie van mensen te maken krijgt, is Job. Zijn drie vrienden nemen in eerste instantie de beste houding aan die maar denkbaar is, en wel die van nabije aanwezigen en luisteraars. Ze zijn gewoon present in de tegenwoordigheid van een vriend die buitensporig en ondraaglijk lijdt. Ik denk dat ze een actieve luisterhouding hebben gehad. Ze waren er gewoon voor Job. En dat zeven dagen lang. Wat we ook op de vrienden van Job aan te merken hebben, ze zijn échte vrienden die er in het heetst van de strijd voor hem zijn. Slechte troosters? Dat valt nog te bezien. Ik moet de vrienden nog tegenkomen die zeven dagen lang in mijn buurt zitten en gewoon stilzijn, er domweg voor mij zijn. Wie heeft zulke vrienden als Job?

Toch kunnen die vrienden zich – na een enorme adempauze en een Jobsgeduld te hebben laten zien – niet langer stilhouden. Het hoge woord moet eruit. Want de raderen van hun verstand hebben in die ‘stille tijd’ gewoon doorgedraaid. Nu wordt de stilte doorbroken en openen ze hun mond niet zomaar, ze hangen logische redeneringen op die er niet om liegen. Redeneringen die Job in zijn lijden uiteindelijk geen centimeter vooruit helpen. Sterker: lijden stapelt zich op lijden. Alsof het leed dat hij te dragen krijgt nog niet genoeg is, bezorgen zijn vrienden hem nog meer kopzorg en hoofdbrekens. Ja, zelfs zijn hart breekt bij het horen van zoveel veroordeling. Na de diverse aanvallen van zijn vrienden moet hij zich nog verdedigen ook. Waar haalt hij de moed en energie vandaan?

Dan blijkt dat Job zich van de prins geen kwaad weet. En op grond van het eerste hoofdstuk moeten we concluderen dat zijn lichamelijke ziekte, zijn lijden en de dood van zijn kinderen, in elk geval niet voortkomen uit zonden die hij persoonlijk begaan zou hebben. Hij is rechtvaardig, onberispelijk en rechtschapen. Dat staat voor Job zelf eveneens – van begin tot eind – als een paal boven water. De logica van zijn vrienden deelt hij daarom niet. Hij houdt bij hoog en laag vol dat hij niet gezondigd heeft en een goed mens is. God is meteen aan het begin van het boek Job al tot die slotsom gekomen en wijst de Satan daarom speciaal op die éne knecht van God. Niemand is meer rechtschapen dan Job. Zal hij zich niet menigmaal achter de oren hebben gekrabd met de gedachte: ‘Was ik maar minder rechtvaardig en goed geweest, dan had God het niet op mij gemunt?!’