- 0002 Job en het menselijk lijden

De goede versus de Algoede (‘JOB 2′)

Job dóét niet alleen het goede en hij laat niet slechts het kwade na, Job is zélf goed, rechtvaardig en onberispelijk. Of: oprecht, vroom en godvrezend. Deze kwalificaties van Job en zijn karakter willen natuurlijk niet zeggen dat Job volmaakt is zoals God dat is. Wel torent hij moreel gezien echter met kop en schouders boven andere aardbewoners uit. Er is niemand die met hem overeenkomt. De strijd die hij als ‘goed mens’ voert, heeft wel te maken met Jobs geloof in de goedheid van God en het kennen van zichzelf als ‘mens zonder zonde’. Daar strookt iets niet. Dat is de strijd die hij voert. Een eenzame strijd tegen God. Met de hamvraag: ‘Hoe kan een goede God een goed mens straffen en zo laten lijden?’

Na veel monologen, disputen, debatten en felle discussies eindigt de woordenstrijd van allen in een reeks vragen van God aan het adres van Job. Maar dat niet alleen. Ook Jobs vrienden worden ter verantwoording geroepen. Alle vragen die Job heeft worden ook nu niet beantwoord. Evenmin als die van zijn vrienden. Het blijft tot aan het laatste hoofdstuk een worsteling van een mens te midden van eigen pijn en lijden. Na Jobs vragenrondes – en de sessies met zijn drie vrienden – is het de beurt aan God om zijn knecht vragenderwijs te confronteren met eigen beperkte kennis, inzicht en kunde. Want al is het zo dat Job God aanklaagt, en lijkt hij daar goede redenen voor te hebben, dan toch blijkt Job zeer beperkt en heeft hij geen helder zicht op Gods werken en wegen. Die zijn hem ten diepste onbekend. Als sterveling kan hij er niet bij.

En dat hoeft ook niet. Dat is niet wat God van hem vraagt, daar God weet dat Job dat als sterveling allemaal boven de pet gaat. De schepping, de grootheid en heerlijkheid daarvan, het overeind en in stand houden van die schepping, Job weet daar als sterfelijk wezen niets vanaf. Gods werken zijn niet te doorgronden, zijn gedachten stijgen ons boven het hoofd en eigenlijk horen we God in woorden van gelijke strekking zeggen: ‘Job, jij weet niets van mijn schepping, je was er niet bij, je weet niet hoe ik die tot stand heb gebracht en hoe ik die – te midden van alle tegenkrachten – overeind houd, hoe kun je dan inzicht hebben in de wijze waarop ik vandaag met jou en je vrienden handel? Hoe kun je mij beoordelen als je mijn scheppingskracht en de woorden waarmee ik die schepping in stand houd, al niet vatten kunt? Zeg het maar, als je het weet!’

En Job kan alleen maar belijden dat hij er werkelijk niets van snapt, dat hij geen inzicht heeft en dat de goede kijk op het handelen van God ook ontbreekt. Daarom slaat hij dood en houdt hij zich stil. ‘Ik sla een hand voor mijn mond, want ik ben sprakeloos en sta met een mond vol tanden’. Hij moet eerlijk toegeven dat Hij God niet begrijpt en dat hij Diens beleid niet doorziet. Want God is God en hij is een mens. De stilte rest. En toch?!

Ondanks het feit dat Hij God niet begrijpt en scherp in de aanval gaat en God als het ware uitdaagt om naar voren te treden met goede argumenten, lezen we dat Job in dit alles niet zondigde (met zijn lippen). Job maakt het God als ziek mens niet gemakkelijk, legt Hem zogezegd het vuur na aan de schenen en sleept Hem bij wijze van spreken voor een menselijk tribunaal. Deze spanning vinden we in het hele boek Job terug. En blijkbaar mag een mens God bevragen en aanklagen. Het diepste leed in Jobs leven is een voedingsbodem voor allemaal vragen aangaande God en het kwaad. Het gaat Job om een rechtvaardiging van Gods handelen rondom zijn ziekte.

We hebben hier te maken met wat met een moeilijk woord in de theologie wel de theodicée genoemd wordt. Dit is de vraag naar het waarom van het lijden voor het aangezicht van een goede God die machtig is. Deze vraag is de vraag der vragen. Een vraag naar zin en onzin te midden van het lijden. Lijden waarin God de regie volkomen kwijt lijkt te zijn, waar Hij niet ingrijpt om het leven van een mens weer in goede en gezonde banen te leiden. Hoe is het mogelijk dat juist deze God die louter goedheid en liefde is zo afwezig lijkt in tijden van lijden. En als die God God is, is Hij ook nog eens machtig om in te grijpen. Waarom Hij dat dan niet doet, is voor Job één groot raadsel.