- 0004 Job en het menselijk lijden

Het wonder te boven… (‘JOB 4′)

De meeste christenen weigeren te geloven in een wispelturige en onberekenbare God zoals de Griekse goden die met al hun grillen, grollen en ruzies rollebollend over straat gingen. Juist de Bijbelse metaforen als Rots, Toevlucht, Schuilplaats en Mokum laten zien dat God ‘in orde’ is en alles ‘op orde’ heeft en houdt. Hij schiep de kosmos (universum, harmonie). We weten daarom wat we van Hem kunnen verwachten. Hij houdt ons niet voor het lapje en maakt geen schijnbewegingen. Hij is niet – zoals veel mensen – belast met buien of plotselinge emoties. We kunnen ervan op aan dat Hij integer, eerlijk en rechtvaardig is. In die zin is onze God geen God van uitersten of extremen.

Ik moet hierbij ook denken aan mensen die God zien als een groot Wel- en Wonderdoener. Zij zijn op zoek naar de uiterste kantjes van het menselijk bestaan, zoals ziekte waarbij ze verwachten dat God de gabs of de gaten, ja de leemten in het bestaan wel zal vullen. God als Gatenvuller die totaal onverwachts en onberekenbaar ingrijpt in het menselijk bestaan. Maar handelt God inderdaad zo met zijn wereld? Wanneer we geloven dat God een God van orde, van regelmaat en van reinheid is, zullen we Hem eerder daar zien waar Hij harmonie in de kosmos toont. Zijn eeuwige trouw richting de schepping toont Hij juist door alles in orde te maken en te houden. Juist het feit dat de wereld, de kosmos, zo goed in elkaar zit, laat ons eerbiedig voor Hem buigen.

We kunnen er van op aan dat we, wanneer we een sprongetje in de lucht maken, niet gaan zweven, maar weer keurig op twee benen terechtkomen op de grond. We kunnen er zeker van zijn dat een vliegtuig dat opstijgt in de lucht blijft hangen en – normaal gesproken – niet neerstort. De snelheid van het toestel, samen met de massa en de opwaartse kracht en zwaartekracht geven ons de zekerheid dat we in de lucht blijven zolang we willen. Waren deze constante wetten en zekerheden er niet geweest, dan zouden we ons niet meer voort durven bewegen. Het is dus de vraag wat onze insteek is en hoe we kijken.

Sommige christenen zien God alleen in heel uitzonderlijke dingen, zoals in wonderen die de pet van het natuurlijk verstand te boven gaan. De exceptionele dingen – die bij mensen niet mogelijk zijn – worden gerekend tot bewijsstukken voor het bestaan van God. Ik vraag me af of we die houding van ‘God laat maar eens iets heel bijzonders zien, dan zal ik in U geloven!’ niet moeten veranderen in een houding van een zien van God in de gewone(re) dingen. Dingen die voor ons wellicht heel gewoon zijn, maar eigenlijk buitengewoon en bijzonder. We zijn aan die gewone gebeurtenissen en wetmatigheden in ons leven gewoon geraakt. Ze raken ons niet meer. Wij zijn veranderd. ‘Gewoontedieren’ in deze specifieke zin van het woord. We zien de buitengewone orde en harmonie zeker niet als bewijs voor het bestaan van God. De ervaring van verwondering en verrukking is verdwenen over het ongewoon gewone.

Natuurlijk gaan er veel dingen mis in onze wereld, maar veel zaken gaan gewoon door. Dingen die we gewoon vinden, zoals het ‘opgaan van de zon’ (of het ‘neergaan van de aarde’) , het afwisselen van de seizoenen en jaargetijden, de ‘intelligentie’ waarmee een aap een noot kraakt, het inzicht dat we hebben in de kosmos (doordat we mensen naar de maan sturen en de uiteinden van het heelal laten onderzoeken). Maar ook veel dichter bij huis: het feit dat mijn vingers samenwerken om hier ter plekke een paar – naar ik hoop – zinvolle en samenhangende zinnen te produceren.

Het zijn allemaal voorbeelden van zaken die we als gewoon zijn gaan beschouwen, terwijl ze helemaal niet zo gewoon zijn. Mensen die zoeken naar ‘echte’ wonderen – dat zijn gebeurtenissen die totaal onverklaarbaar zijn, zoals het plotsklaps verdwijnen van een ongeneeslijke ziekte – zullen Gods wonderlijke kracht wellicht een paar maal in hun leven ervaren. Want wonderen zijn uitzonderlijk. Daar zijn het dan ook wonderen voor.

Mensen die God durven te zien in de kleine dingen van het leven en in de ‘gewone’ wetmatigheden van de natuur, zullen God veel vaker ‘tegenkomen’. Het is dus de vraag hoe je kijkt. Kijk je als mens naar exceptionele ervaringen en staar je je blind op de gaten in onze wereld die gevuld moeten worden, of kijk je naar de werkelijkheid die reeds verschijnt als heel, compleet en af?

Wil je de God ontmoeten die Zich manifesteert als Gatenvuller of wil je de God tegenkomen die Zich toont als Schepper en Onderhouder van de kosmos, ja van ons persoonlijk leven. Want ook al is Hij die de zieken genas in Galilea en Judea Dezelfde als Hij die alle dingen draagt door het Woord van zijn kracht, toch zien wij Jezus vanuit twee totaal verschillende invalshoeken. Jezus enkel en alleen beschouwen als Wonderdoener en je daarop blindstaren, is wel even wat anders als Jezus zien als God, Schepper van hemel en aarde, tegen- of weerhouder van alles wat die zinvolle orde dreigt te verstoren.

Maar heeft Hij dan geen oog voor de enkeling in nood? Voor de man of vrouw die vandaag lijdt aan een vreselijke ziekte en daar – letterlijk en figuurlijk – kapot aan gaat? Gaan de Jobs in onze wereld Hem echt aan het hart? Natuurlijk, dat staat in de Bijbel, maar ervaren we daadwerkelijk dat Hij zijn blik richt op de enkeling? Zou Hij – Wiens oog rust op de musjes – ook niet teder op mij rusten? De vraag stellen is haar beantwoorden. Al hoewel…