- 004 God, mens en lijden

LIJDEN (4)

En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt, volharding tot betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid tot hoop.
Romeinen 5:3-4 | NBV |

Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.
Romeinen 8:18 | NBV |

Waar we in de 2e Korinthebrief ondersteund worden door God als bron van alle troost en in de 1e Petrusbrief God als bron van alle genade tegenkomen, ontmoeten we in de Romeinenbrief de God van de vrede en liefde.

In de Romeinenbrief is niet iemand aan het woord die het lijden op sadomasochistische wijze opzoekt en verheerlijkt, maar iemand die weigert zijn geluk af te laten hangen van de omstandigheden. Het is niet dánkzij het lijden dat hij gelukkig is, maar iemand die óndanks het lijden een weg tracht te zoeken door het leven. Het is de houding van iemand die zegt: ‘Wat kan het lijden mij – hoe verschrikkelijk ook – op de één of andere manier opleveren? Hoe kan ik – nu ik midden in het lijden zit – er het beste van maken?’

De vraag of er iets goeds voortkomen kan uit het lijden is eigenlijk ook de vraag naar de zin van het lijden. Ergens een zin of betekenis aan toekennen, brengt al snel het risico met zich mee dat we de dingen goedpraten. Want als lijden zinvol is, is het op een bepaalde manier ook goed. Het is goed dat we lijden. Als we nog een stap verder gaan, zijn we weer terug bij af. We verheerlijken het lijden en zoeken het op. Want: het is nuttig, of het heeft zin, of het heeft betekenis, of…

Lijden op zich is zinloos. Die stelling durf ik wel aan. Lijden om het lijden, lijden als doel van het bestaan. Leven als lijden. Of leven is lijden. Nee, leven en lijden vallen nimmer samen. Ook niet in de Bijbel.

Dat neemt niet weg dat lijden wel een middel kan zijn om een weg in te slaan van nieuwe mogelijkheden, ontdekkingen en kansen. Al is het lijden dat ik vandaag ondervind maar goed voor de ander. Bijvoorbeeld vanwege het feit dat ik er een milder mens door word, dichter naar God en mijn naaste toegroei. Juist omdat ik – doordat ik soortgelijke ervaringen onderga als de ander – medelijden kan opbrengen voor hulpbehoevende derden. Dat kan zeker zo lopen en het geval zijn.

Maar het is niet goed te voorspellen of het lijden dat ik ondervind werkelijk tot zegen van anderen, en zo weer tot zegen van mijzelf kan zijn. Het is immers nog maar de vraag of mijn ziekte en lijden niet juist tot verwíjdering van de ander leidt. Hoeveel mensen begrijpen mij werkelijk als het aankomt op mijn depressies? Hoeveel mensen doen de moeite om zich enigszins in te leven in de ander, en lukt dat ook daadwerkelijk? Lijden kán verbroederen of verzusteren. Maar lijden kan evengoed de afstand tussen mensen vergroten. Het ligt aan allerlei factoren of het lukt om die afstand tussen lijdenden te verkleinen.

Een voorbeeld. Een echtpaar dat een kind heeft verloren, kan in die loodzware en ellendige situatie een diepere en hechtere relatie krijgen. Maar het kan evengoed dat een man en een vrouw juist door dit dramatische en onomkeerbare verlies zich ver van de ander verwijderen. De twee personen met twee karakters verwerken de dood van hun kind op totaal verschillende wijze. Het zou zomaar kunnen dat ze elkaar daarin in de weg lopen en de ander niets meer te zeggen hebben. Goede nazorg en professionele hulpverlening is daarbij van – niet te overschatten – waarde.

Het lijden van een mens betekenis geven, kan al te gemakkelijk leiden tot een goedpraten van het lijden, terwijl het lijden kwaadgepraat moet blijven. Daarom zal iedere hulpverlener tien keer moeten nadenken voordat hij een antwoord geeft op de vraag van een mens waarom specifiek dít lijden hem of haar moet treffen, als de hulpverlener al een antwoord moet proberen te geven op deze vraag der vragen. De ‘waarom-vraag’ is in feite niet te beantwoorden. Pas in het licht van de eeuwigheid zal deze vraag tot rust komen. Grote brokken kunnen voorkomen worden door de ‘waarom-vraag’ op te schorten en zich van een verklaring te onthouden.

Wel mogen we samen met de ander nagaan hoe we dit ‘kromme pad van het lijden met vele diepe kuilen en brokstukken’ mogen bewandelen. Nu we ons bevinden in het dal van diepe duisternis vragen we ons af hoe we ons er doorheen slaan. Dan is het mooi als we om ons heen kunnen kijken en andere mensen op ons pad vinden die dergelijke ervaringen en omstandigheden als ons te verstouwen hebben gekregen. De vraag waar de goede Herder in dit dal is, mag een essentiële plaats krijgen. Als die God in wie wij geloven dan niet in de gestalte van Wonderdoener naar ons toekomt, wil Hij er misschien wel zijn als Herder die met ons optrekt. Eén die medelijden kent. Eén die – zoals we hieronder reeds zagen – passie en compassie op kan brengen omdat Hij úit het volk vóór het volk gereed staat.

Paulus probeert de vraag ‘waarheen leidt de weg die ik in mijn lijden moet gaan’ te thematiseren aan de hand van ‘grote woorden’ als volharding, betrouwbaarheid en hoop. Roept het lijden iets wakker in ons? Snijdt het lijden dimensies aan die we nooit eerder waargenomen hebben? Diepte-ervaringen die leiden naar hoogte-ervaringen? Passie en compassie met lijdende mensen om ons heen?

Daarnaast speelt Paulus’ overtuiging een rol dat het lijden van deze tegenwoordige tijd (of eeuw) niet opweegt tegen de heerlijkheid die in de toekomst manifest wordt. Het is wachten, het is geduld betrachten, het is uithouden, maar dan, ja dan heb ik je ook wat. Eindigheid tegenover eeuwigheid, lijden tegenover luister, duister tegenover luister. Paulus zegt: ‘Houd dat vast, er staat je iets veel mooiers te wachten! En die heerlijkheid is veel heerlijker dan het vele lijden’. De kwaliteit van dat leven is vele malen groter dan de ‘kwaliteit’ van het lijden. Waar Petrus – zoals we hieronder al zagen – hamerde op de ‘kwantiteit’ en duur van het lijden. Je hebt nog maar heel kort te lijden en dan is het voor eeuwig voorbij.