- 003 God, mens en lijden

LIJDEN (3)

Dat een ieder krijgt wat ie verdient, zien we niet in de wereld om ons heen. Dat iedereen krijgt wat ie aan kan, zien we ook niet terug om ons heen. Er zijn mensen die psychisch kapot gaan aan hun lijden. Zij zijn aan het overleven, als ze al leven. God heeft geen draagvlak gemaakt om daar vervolgens een bepaalde kracht op los te laten. Zo van: dit past precies – afgemeten en wel – op jouw bordje, dus dat portie is voor jou. Wel zien we dat God genade geeft om – nu er lijden is – ermee om te gaan. Daarom is het zaak om te spreken over genade die we van buiten onszelf mogen ontvangen, wanneer we ziek zijn. Niet om de ziekte de baas te kunnen en te overwinnen, maar ermee om te leren gaan. Geen innerlijke kracht die het kruis draagt, maar de van buiten ingeroepen genade van God die ons helpt hoe we lijden moeten. Genade die ons leert om ziekte, nu die er is, te integreren in ons bestaan.

Want wat zie ik dappere mensen om mij heen. Mensen die al jarenlang lijden aan nierinsufficiëntie en keer op keer op keer naar het ziekenhuis moeten voor nierdialyse. Om vervolgens uitgeput thuis te komen zonder de betreffende dag nog noemenswaardige activiteiten te kunnen ondernemen. Hoe houdt een mens dat vol? Week in week uit, maand in maand uit, jaar in jaar uit. Wat een genade heeft zo’n persoon nodig om door te zetten en niet op te geven. En dan ook nog de veerkracht hebben om – speciaal voor de omgeving – monter over te komen en er goedlachs uit te zien. Met het nodige gevoel voor humor en een groot relativeringsvermogen. Blijkbaar is God erbij en helpt Hij om hier – zo goed en zo kwaad het gaat – doorheen te komen zonder de moed te verliezen.

Dat God de lakens uitdeelt, is niet vreemd. Daar is Hij God voor. Mensen mogen c.q. moeten zich gedragen overeenkomstig zijn richtlijnen en geboden. Maar dat God met ziektes strooit, dat is een ander verhaal. De idee dat een goede God slechte dingen kan geven, is voor velen altijd een troost geweest. Ik noemde dat hieronder al. Want – zo is de idee – zouden we uit Gods Vaderhand het goede, maar niet het kwade ontvangen? Een goede vader in een gezin noemen we toch ook goed als hij straf uitdeelt? Hij is dan niet ineens een slechte vader. Een slechte vader zou zijn kinderen juist laten aanmodderen, hij zou zijn kinderen verwaarlozen en dat laten doen wat slecht voor hen is. Een goede vader draait de duimschroeven soms aan, ook al doen die pijn, om zo grenzen aan te geven. Want niet alles wat kinderen goed vinden, is daadwerkelijk goed voor ze. Vandaar dat vader en moeder hun kinderen corrigeren – en na wangedrag – straffen.

De conclusie kan dus niet anders zijn dan dat een goed iemand soms kwaad moet zijn om goed te blijven. Ouders die hun kinderen verslonzen en maar aan laten leven zijn geen goede ouders. Maar hoe zit dat dan met God? Kan een goede God het kwade willen voor zijn kinderen? Kan een goede God ziektes uitdelen om zijn kinderen een lesje te leren? Dát is dus de vraag. Mensen die troost putten uit de gedachte dat hun ziekte van God komt, zullen die proberen te aanvaarden als ‘geschenk’ uit Gods hand. De ziekte of andere aandoening zal zelfs als straf goed kunnen aanvoelen. Zeker als de gelovige zich van eigen kwaad bewust is.

Maar wat nu als de gelovige zich van geen enkel kwaad bewust is? Is dat ook een straf of is dat genade, ja een gunst?Goeddoende kwaad lijden, heet dat. Is dat inderdaad genade bij God? Zullen de Jobs in onze wereld met dit antwoord kunnen leven? Komen we er dan inderdaad mee weg door te roepen dat God het kind dat hij liefheeft, kastijdt, tuchtigt of geselt? Zouden we als mensen dan niet beter af zijn wanneer Hij ons minder lief zou hebben? Zoals de moeder die haar kind naar het graf moet brengen te horen krijgt dat ze niets krijgt wat ze niet dragen kan. Waarop de moeder logischerwijs antwoordt: kon ik dan maar minder dragen, dan had ik mijn zoon nog!