- 002 God, mens en lijden

LIJDEN (2)

‘Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven’ 2 Korintiërs 1:3-4 | NBV |

Het is het opmerken waard dat het denken over het lijden hier ingeleid wordt door lofprijzing. Leven is lof prijzen, leven is danken. Zelfs als dat leven lijden met zich meebrengt. Door zichzelf als mens helemaal aan God toe te vertrouwen, ontstaat er ruimte om na te denken over lijden. Via de overgave aan God stellen we de moeilijke vraag van het lijden. Vanuit de geborgenheid komen we tot openheid en gesprek en mogen we Hem vragen stellen.

De Vader die hier een plaats krijgt als degene die zich ontfermt, is de Vader van de Here Jezus, maar terzelfdertijd onze Vader. Vanuit die rol in zelfovergave en in de gesteldheid van intimiteit is het mogelijk de wereld in te kijken. Ook de wereld van ziekte, lijden, pijn en dood. De Vader die zich reeds vanaf ons begin over ons ontfermd heeft, is Dezelfde die ons helpt het lijden onder ogen te zien. Hij is de troostende God. Hij kan mee-lijden als Hij met ons de wereld inkijkt. Zo wil Hij God zijn en niet anders. Hij troost altijd én Hij geeft ons in al onze ellende moed. Daarmee is ook gezegd dat Hij niet de hulpeloze God is zonder handen en voeten. Hij heeft blijkbaar armen die zich uitstrekken naar de noodlijdende, voeten die de weg gaan die de lijdende mens moet gaan. Het is zijn aard om mee te reizen en zich niet achter een koperen hemel in een volmaakt bastion terug te trekken. Hij neemt ook geen ommetje om het lijden te ontlopen. Nee, hij gaat er dwars doorheen.

Dat Hij het lijden van het menszijn bloedserieus neemt, laat Hij op majestueuze wijze zien door Mens te worden. Zo haakt de God van lijdende mensen direct in op de mens en zijn misère. En dat is heil. Want heil voor de mensen is niet een op zich nemen van alle lijden op de schouders, nee het is er dwars met mensen doorheen gaan. De troost die God kan geven te midden van lijden, dat is nu we er midden in zitten, is geen goedkope troost. God veegt de tranen niet met één handbeweging van je gezicht en tovert daarna geen lach op je gelaat, maar Hij is de lijdende God Wiens hart en leven meebeweegt met menselijk lijden.

En dan? Dan blijkt het bovenmenselijke mogelijk te zijn, namelijk dat zij die door God getroost zijn zélf bron van troost mogen worden voor anderen. De moed die degenen ontvangen om door te gaan, krijgt vorm in de troost aan hen die lijden. Zo mogen ze een doorgeefluik en een kanaal van zegen zijn. Door troost te ontvangen, leren mensen wat het in de praktijk betekent om anderen troost te geven. God de Vader doet het hen voor, zij mogen het Hem na doen. Imiteren.

De ellende wordt niet uit voorzorg weggenomen, ook worden we niet immuun gemaakt voor allerlei ziektekiemen, maar we worden zorgdragers, ja steunpilaren in die situaties waarin anderen ellendig zijn. Feitelijk is dit de weg die Jezus ging. Toen Hij mens werd leerde Hij proefondervindelijk – dat is aan zijn lichaam, geest en ziel – het gebroken en gebrekkige menselijk bestaan kennen. En die weg was Hij voor de menswording nooit gegaan. Hij is – toen Hij in alles aan mensen gelijk werd – ervaringsdeskundige geworden in het lijden. Want in de school van het leven leerde Hij wat het betekende om afgewezen, bedreigd, vals beschuldigd, gemarteld en gedood te worden. En daarom komt de schrijver van de brief aan de Hebreeën met de opmerking dat Hij (Jezus) een trouw Priester kan zijn voor het aangezicht van God, en wel met het oog op lijdende mensen op aarde. Zo staat Hij paraat om hun Belangenbehartiger en Zaakwaarnemer te zijn, ja Pleitbezorger en Advocaat. Hij is de Man uít het volk, vóór het volk. Want Hij peilt de diepte van het lijden van mensen op aarde.