- a Subversief optreden van politie en justitie (mijn verhaal)

Aan het eind van een aangrijpende dienst in de ‘Vrije Baptisten Gemeente’ te Meppel (28-09-2003) was ik behoorlijk moe en emotioneel. Ik liep direct nadat het ‘Onze Vader’ gebeden was de dienst uit en stapte in de auto om rust te zoeken in de natuur. Ik ben daar naast mijn auto aan het water gaan liggen om wat bij te slapen.

Enkele voorbijgangers hebben mij daar zien liggen en om welke reden dan ook de politie gebeld. De politie ‘Meppel’ kwam: een gewone diender en een hulpofficier van justitie. Zij vroegen hoe het met me ging en ik vertelde van mijn vermoeidheid en stress, mede opgelopen door een verhuizing i.c.m. een nieuwe, fulltime baan. De hulpofficier vroeg of ik mee wilde gaan naar het politiebureau ‘Meppel’ voor een kop koffie om even bij te komen en verder op verhaal te komen. Ik ging dan ook geheel vrijwillig mee. Daarbij vertelde ik dat ik wel wat geestelijke hulp kon gebruiken omdat ik in het verleden al een keer behoorlijk in de war was geweest. Dat wilde hij nu, kostte wat het kost, voorkomen. Er was in die tijd namelijk sprake van een bipolaire stoornis.

Terwijl ik mee reed naar het bureau maakte de hulpofficier nog een opmerking, nadat ik van mijn christen-zijn had getuigd; Ik citeer de hulpofficier: ‘wat fijn dat wij het van onze hemelse bijstand mogen verwachten’. Ik wist me gesterkt door die opmerking terwijl ik met vertrouwen het terrein van het politiebureau op reed. ‘Fijn dat die man ook christen is’, dacht ik.

Deze bemoedigende gedachte werd de uren daarna wreed de grond in geboord door de helse ervaring in een zgn. ‘verhoorruimte’ binnen het politiebureau. Al met al is de 5 uur daarna een paar keer (laat het 4 keer zijn) de knip van de deur gedaan en kort met mij gepraat. Van Baptistengemeente naar politiebureau, van hemel naar hel.

De grauwgele ruimte waar geen daglicht door kwam, benauwde mij enorm. Ik vreesde dat ik gek werd. Ik werd neergezet in een grauwgele ruimte zonder enige bezieling. Zonder enig licht of uitzicht. Deze grauwgele ruimte werd iedere keer op slot gedaan door een knip op de deur aan de buitenkant. Ik voelde me gevangen. Ik heb meerdere keren aangegeven of die deur van de knip af mocht en/of op een kier mocht staan. Dat kon niet, want dan kon ik zo op de gang komen en daar rondlopen, waar ik geen enkele aanzet of aanleiding toe had gegeven. Ik smeekte of de deur van het slot mocht, want zo zou ik psychisch zeker een wrak worden. Ik heb dit minimaal drie keer aangegeven. Later heb ik nog hard op de deur gebonsd omdat ik de doodse stilte, het opgesloten zijn, de grauwgele ruimte niet langer kon verdragen. De agente die in het bureau was, kwam naar de deur toe, opende die en vroeg: ‘Bent u helemaal gek geworden?!’ Ik zei: ‘Als dit zo door gaat, word ik gek’. Ze lachte me smalend uit en zei dat als ik dit nog een keer deed, ik in de cel gezet zou worden. Het was zo mensonterend. Ik werd met een kop koffie gelokt naar het bureau en toen: de totale mens- en Godverlatenheid. Vijf uur lang in een gesloten ruimte zonder aanspraak, zonder luisterend oor, zonder menselijkheid. Het einde van mijn psychische gezondheid’. Einde citaat.

Aan het eind was ik inderdaad psychotisch, waar ik de dienders voor gewaarschuwd had en kon ik afgevoerd worden met de ambulance naar het ‘Bethesda-ziekenhuis’ in Hoogeveen. Een volle zondagmiddag op het politiebureau in Meppel was het failliet van mijn psyche. De politie ‘Meppel’ was erin geslaagd om mij psychisch volledig de vernieling in te helpen. Willens en wetens. Bewust. Want ze waren gewaarschuwd. Ik heb hen verteld van mijn kwetsbaarheid en toch hebben ze geen van allen geluisterd.

Ik heb later nog een brief geschreven aan diverse overheidsinstanties, inclusief justitie en het betreffende politie-korps, om te vertellen wat zij mij aan hebben gedaan. Ik heb nooit een reactie gekregen, laat staan een excuus.

De gevolgen die ik ervaar vanwege bovengenoemde ervaring voor mijn leven erna zijn de volgende:

-angst voor politie-beambten en uniform-vrees (tijdens de drie weken in Bethesda was ik zo panisch van angst dat ik vroeg om een kogelvrij-vest omdat politie niet te vertrouwen en onvoorspelbaar is).
-het gevoel van veiligheid in nabijheid van politie-beambten is totaal weg.
-in mijn voorbeeldfunctie in de rollen die ik vervul kan ik moeilijk positief over politie en justitie praten en mijd ik daarom het onderwerp het liefst.
-algemeen: ik heb het vertrouwen in gezag (in mijn beleving: macht) en de rechtstaat voor een groot deel verloren.

Dit is niet mijn hele verhaal. Ik heb – ook dingen binnen de muren van de GGZ meegemaakt – die echt niet kunnen. Daarom zal ik later vervolgen met een uitvoerige kritische analyse waarbij nog veel meer ervaringen aan bod zullen komen. Mocht het mij gegeven zijn, wellicht in de vorm van een autobiografisch boek.