- 03 Groen als gras en de kleur zwart

Sommige mensen zijn zo groen als gras. De dingen die zij hebben meegemaakt zijn niet noemenswaardig. Ze zijn gezegende mensen. Ze hebben hun vader en moeder nog, hun broers en zussen leven nog, al hun vrienden spreken ze nog. Ook hun eigen leven – inclusief lichamelijke en geestelijke gezondheid – is altijd over rozen gegaan.

Ik kan hen niet kwalijk nemen dat hun leven op rolletjes loopt, integendeel: ik kan hen gelukkig prijzen. En op een positieve wijze jaloers zijn. Maar ik kan niet verwachten dat ze mij – als door de schudder en de swiller gehaald en in de zon uitgedroogd gras – zullen begrijpen.

Waar een rouwdragende doorheen gaat, weet een groentje niet. Waar een depressief iemand doorheen gaat, weet een geestelijk gezond iemand niet. Al kan iedereen zich wel een voorstelling maken van wat het kan betekenen om iemand of iets te verliezen. Iedereen heeft wel eens te maken gehad met een verlieservaring, hoe klein ook. Iedereen heeft zich wel eens een keer somber – of minder vrolijk – gevoeld. Wanneer iemand depressief is, is hij heel, heel somber. En dat ook nog eens voor een langere tijd.

Waar iemand die zijn been gebroken heeft precies doorheen gaat, weet ik niet. Al kan ik me daar wel een voorstelling van maken.

Degene die een been of arm heeft gebroken, mag van mij verwachten dat ik een serieuze poging waag om hem te begrijpen, al zal ik zijn specifieke pijn niet kunnen voelen. Maar boven dit alles mag hij verwachten dat ik hem duw of eventueel draag. Want zijn gevoel kan weliswaar niet mijn gevoel worden, maar mijn handen kunnen wel zijn handen worden.

Er wordt in ieder geval van mij als christen verwacht dat ik de lasten draag van de ander én – niet minder belangrijk – dat ik mijn lasten láát – en kán laten – dragen (vgl. Gal.6:2).

KK

(p.s. Wordt het niet tijd om ons eens te verdiepen in een ziekte die – wanneer het griep was geweest – een epidemie zou zijn genoemd? Zouden we deze mensen dan wellicht beter begrijpen?)