Boom, blad, struik, plant, bloem

Bomen bottend klappend

 

Bomen botten uit nu het voorjaar komen gaat

Ze groeien zonder maat, hoog hun Schepper tegemoet

Eeuwenoude reuzen doen het nog steeds

Vertellen door hun scheppingskracht, vernieuwend van

Een Schepper die met woord en macht

Al is het winter, nog zo koud

Zijn schepping onderhoudt

 

De bomen zullen machtig staan te klappen in het veld

Als de aarde juicht, juicht de hemel mee

Tot eer van Hem die aard en zee

Met luister heeft geschapen

En mensen heeft gekroond

In krachtig groeiend groen,  Zijn trouw en liefde toont

 

Want wanneer bomen groeien gaan

Staat de lente voor de deur

Maakt de winter smeltend baan

Voor nieuw leven, geur en kleur

Gaan mensen God weer loven

Komen vermoeidheid, slaap te boven

Met uitbottende bomen, glanzend in de zon geborgen

Opstaand voor de nieuwe morgen

Waar de hele schepping juicht, voor Gods troon zich lovend buigt

Klappend met de bomen, in diepe harmonie

 

Blaadje

 

Het laatste blaadje trekt een spoor

Al vallend in de winternacht

Een baan van koud’ naar warmte door

Waar de lente wacht

 

Het blaadje is het verhaal van God

Dat ons vertellen wil

Na de winter keert het tij

Herfstkoude, winter kil

Het trekt weer voorbij

 

Na de nacht ontwaakt de dag

IJs, sneeuw, water maken plaats

Voor de zon die schijnen mag

Op een door God gegeven plaats

onder Zijn gezag

 

De straaltjes die ons gezicht verlichten

Op deze nieuwe voorjaarsdag

Zullen straks echt nooit meer zwichten

Voor de duisternis verdwijnen

Ze doen ons eens altijd een lach

Op ons gelaat verschijnen

 

Het blaadje verdort voorgoed, verrot

Onder de boom des levens

Het ijs breekt, gaat voor altijd kapot

Harten breken, smelten gaan

Breekt de nieuwe morgen aan

 

Het blaadje wuift weer fris en groen

Nadat het uit de dood is opgestaan

De bomen groeien bloeiend loof

De Heer die eeuwig in de Hof zal staan