moeder

Déjà vu 

 

Ik staarde ze na door het glas

die arme drommels

tandeloze tijgers

sloffend, zonder blijde blik

had ik medelijden met hen die zo zijn als ik

zonder vader

stond ik voor de spiegel

 

Ik stak mijn kop uit

voor hen deed ik dat

maar mijn kop ging eraf boven het maaiveld

van moeder die van wanten wist

 

Ik hoorde een grauw en een snauw

van een vrouw

die eigen mensen had die niet vreemd waren

zoals ik

 

Met een dolkstoot in mijn hart

leef ik

schijnbaar vreemde in een buurt

met mensen die hangen in de straat

met urenlang gepraat

zeg ik dag voor een spiegel van herkenning

 

 

Mijn sterke moeder

 

Ze overleefde de dood van mijn vader

wonderlijke kracht kreeg zij

toen haar man stierf

voedde ze ons op

 

Drie jongens waren we

niet in de kracht van ons leven

hadden we een vader nodig

waar alleen moeder was

 

Ons vaderloze tijdperk

tandeloos gezin

kwetsbare vrouw

sterkste van allen

 

Geen zwak geslacht

maar bijzondere kracht

was onze moeder

toen ze overlevend streed

voor ons voortbestaan